Images de page
PDF
ePub

eerst in 1819 is men op dit gebied tot verdere maatregelen overgegaan.

Merkwaardig is het, dat de voorbereiding van het taalbesluit van 15 September 1819 hoofdzakelijk het werk geweest is van den man, die in zooveel opzichten een noodlottigen invloed op Willem I heeft uitgeoefend, van Van Maanen; de minister van Binnenlandsche Zaken, de Coninck, heeft in zijn adviezen telkens tegen overijling gewaarschuwd; men vergete trouwens niet, dat de taalbesluiten vooral op justitieel gebied zeer ingrijpend werkten en dat daar de grootste moeilijkheden zijn ontmoet. Het taalbesluit van 1819 draagt nog een eenigszins voorloopig karakter; in Oost- en West-Vlaanderen, Antwerpen en Limburg moeten alle openbare ambtenaren „200veel mogelijk” zich van de landstaal bedienen; na 1 Jan. 1823 wordt dit verplichtend gesteld. Voor Zuid-Brabant zou nader worden overwogen op welke Vlaamsche deelen dit besluit eveneens zou worden toegepast: op 26 October werden de arrondissementen Brussel en Leuven als zoodanig aangewezen. De tijd van 1819 tot 1823 is voor vele ambtenaren een tijd van spanning geweest, vooral omdat het gerucht liep, dat de maatregel ook tot de zuiver Waalsche deelen zou worden uitgebreid. Kinker berichtte uit zijn eenzamen post in Luik, waar hij voortdurend aan de ergerlijkste onaangenaamheden was blootgesteld – één maal vond hij de deur zijner collegekamer gebarricadeerd; een anderen keer liep onder zijn college, dat zeer slecht bezocht werd, een hoogleeraar met zijn studenten het vertrek binnen, veinzende hem niet op te merken! -- dat nu alles beter zou worden. Zelfs vier practiseerende advocaten waren privaatles komen nemen, wat zij evenwel weer opgaven, toen het gerucht werd tegengesproken. Toen in 1823 elke overgangsbepaling werd opgeheven, geraakten vrij veel ambtenaren in ongelegenheid; slechts aan zeer enkele advocaten werd b.v. toegestaan in het Fransch te pleiten; verschillende ambtenaren werden op wachtgeld gesteld. De houding der regeering was, jammer genoeg, niet altijd van kleingeestigheid vrij te pleiten. Zoo werd een tweetalige publicatie dubbel bedenkelijk geacht, omdat de Nederlandsche tekst „aan de linker of lager zijde” was afgedrukt. Steeds bleef de leiding berusten bij Van Maanen; ten opzichte van het onderwijs speelt later ook Falck een niet onbelangrijke rol door zoowel bij het hooger onderwijs als bij de andere takken het gebruik der landstaal zooveel mogelijk te bevorderen, deels door bezoeken van inspecteurs, deels door toekenning van kleine bedragen voor aanstelling van onderwijzers, die de landstaal konden doceeren. Krachtig steunde de regeering ook vereenigingen, die zich voor de landstaal interesseerden; ook nam. zij het initiatief voor de uitgave van goede leerboeken.

Bleef de regeering lang voet bij stuk houden, na het tot stand komen der Unie van 1828 verliest zij den moed op de meest verrassende wijze. De taalbesluiten waren steeds fel bestreden door de toonaangevende Belgen. Hoe het eigenlijke volk er over dacht, vernemen wij niet; blijkbaar bevatten de door den schrijver gebruikte bronnen, vooral de papieren van Van Maanen, hierover weinig gegevens, die echter m. i. wel opgespoord hadden kunnen worden; mogelijk is het onderzoek in deze richting evenwel door den oorlog onmogelijk gemaakt. Een feit is het evenwel, dat sinds de Unie van 1828, wanneer liberalen en clericalen ook op dit gebied één lijn gaan trekken, de regeering op de meest verrassende wijze den moed verliest. Tevergeefs hebben mannen als Bergmans Van Maanen bezworen niet toe te geven; de regeering heeft, blijkbaar ook uit vrees voor afstemming der tienjaarlijksche begrooting, alle durf verloren en op 28 Augustus 1829 wordt een goed deel der verordeningen prijs gegeven. Het Nederlandsch bleef de officieele taal, maar in openbare akten en strafzaken mag een andere taal (de Fransche wordt niet genoemd) gebruikt worden door de burgers, mits de ambtenaar en hierin school een ernstige beperking – die kent. Met deze concessie was de oppositie, door het succes veeleischend geworden, niet tevreden; de agitatie bleef aanhouden en daarop werd, onder verzet van Van Maanen, die er echter geen portefeuillekwestie van maakte, aan de talen algeheele gelijkstelling verleend, een concessie, die de revolutie niet heeft kunnen tegenhouden.

Robert Pimienta: la propagande Bonapartiste en 1848. (Uitgave der Société de l'histoire de la révolution de 1848). Dit werk, dat ten onzent vrijwel onbekend is gebleven, geeft ons een beeld van de wijze, waarop de latere Napoleon III er in geslaagd is zich in het bezit der macht te stellen. Zooals begrijpelijk is, stond den schrijver slechts weinig ongedrukt materiaal ter beschikking; de uitvoerige bibliografie van 257 nummers, die aan het werk voorafgaat, geeft ons evenwel een indruk van de moeilijkheden, die dergelijke arbeid medebrengt, ook al bepaalde het onderzoek zich in hoofdzaak tot hetgeen aan propaganda te Parijs is gedaan, waar trouwens wel het centrum der actie was gelegen.

Wanneer de tijding der Februari-revolutie te Londen aankomt, haast Lodewijk Napoleon zich naar Parijs, alleen om teeken van leven te geven; aan het verzoek van het Voorloopig Bestuur om Frankrijk weer te verlaten, geeft hij onmiddellijk gehoor. Hoe groot evenwel zijn kansen zijn, blijkt reeds op 4 Juni, wanneer hij, hoewel slechts op zeer bescheiden voet propaganda voor hem gemaakt wordt, in Parijs en in vier departementen daarbuiten tot lid der Constituante wordt verkozen; te Parijs alleen worden meer dan 84000 stemmen op hem uitgebracht. Directe gevolgen had dit niet; wel gelukte het aan het Voorloopig Bestuur niet de vergadering te bewegen den prins niet toe te laten, maar deze zelf achtte het beter zich op den achtergrond te houden en bedankte voor de benoeming, zich evenwel voorbehoudend zich ter beschikking van het volk te stellen „als dit hem plichten mocht opleggen”.

Nu staken evenwel de Bonapartisten het hoofd op; in de dagen die op de verkiezing volgden, werd een levendige agitatie aangevangen. Op allerlei wijze werd propaganda gemaakt voor den prins, door medailles, vlaggetjes, die in het knoopsgat gestoken werden, door brochures, gedichten en couranten van allerlei richting,

aan

die onder aanvoering van de meest uiteenloopende motieven zich voor Napoleon verklaarden. Het merkwaardigst in deze propaganda is wel de sterk demagogische actie, die van sommige bladen uitgaat; blijkbaar hebben de Bonapartisten in de dagen van spanning, die

den Juli-opstand voorafgingen, hun verwachtingen op een volksopstand gevestigd. Zoo werd een scherpe actie begonnen tegen de wet op de samenscholingen, tegen het Jodenregiem, dat „even corrupt was als indertijd dat van het Directoire."

In een blad: Napoleon republicain, wordt, met herinnering aan zijn te Ham geschreven brochure Sur l'extinction du pauperisme, de uitroeiing der ellende als 's prinsen doel gesteld. In andere bladen wordt evenwel een geheel ander klavier uitgetrokken: Le Petit Caporal richt zich tot de militaire instincten; in l'Aigle républicain wordt Beranger opgeroepen om voor het keizerrijk te getuigen, dat hij, zoolang dit bestond, bestreden had; herinneringen worden wakker geroepen aan Marengo en Wagram; ten behoeve van de bourgeoisie, die behoefte aan vrede heeft, wordt evenwel in andere bladen een beeld geschetst van den Napoléon de la Paix, waarvoor allerlei uit het Memorial de St. Hélène aangehaald worden; de prins trouwens denkt niet aan een roode republiek; hij is de verdediger van eigendom, familie en godsdienst.

Na den Juni-opstand wordt de campagne een maand lang gestaakt; blijkbaar is de overwinning van het gouvernement een misrekening voor de Bonapartisten, die met de beweging hun voordeel hadden willen doen; een maand later begint de propaganda opnieuw, maar met een minder demagogisch karakter; bij de aanvullingsverkiezingen te Parijs wordt de prins candidaat gesteld en met een verrassenden uitslag: te Parijs krijgt hij 110752 stemmen, zoodat hij de eerste der gekozenen is, bovendien wordt hij in vier andere departementen gekozen; den 25 September wordt hij in de vergadering toegelaten, waar hij een zeer bescheiden houding aanneemt. Nu begint de agitatie evenwel voor zijn presidentsverkiezing. In dicht en ondicht wordt zijn terugkeer in het vaderland gevierd; een oude marketentster van Austerlitz sterft, als haar de gelukkige tijding bereikt. Allerlei roerende herinneringen worden naar voren gebracht: hoe de prins, nog een kind, zijn grooten oom had gewaarschuwd niet naar België te vertrekken, waar hij bij Waterloo zijn ondergang zou vinden, waarop Napoleon Hortense zou hebben aangemaand goed zorg voor het kind te dragen, „peut-être l'unique espoir de ma race". Gewezen wordt op zijn gelijkenis met zijn oom; „le type napoléonien y est reproduit avec une étonnante fidélité. C'est a faire frissoner un soldat de la vieille garde.” Stembriefjes worden verspreid in het handschrift van Napoleon, zoodat men den ouden keizer zelf voor zijn neef laat stemmen; Thiers, Victor Hugo, Girardin, George Sand, Louis Blanc, Chateaubriand worden geciteerd ten behoeve der candidatuur, soms met zoodanige verminking, dat de personen zelf daartegen protesteeren. Tegelijkertijd evenwel wordt bekend, dat hij voor het herstel van het wereldlijk gezag van den Het resultaat is bekend: bij de stemming verklaren 5,572,834 kiezers zich voor den prins.

paus is.

DE B.

Keizerin Eugenie: Mijn gedenkschriften, (vertaling door dr. L. A. J. Burgersdijk, A. W. Sijthoff's Uitgeversmaatschappij, Leiden). Verrassend spoedig na den dood van keizerin Eugenie werden we verrast door het verschijnen van twee zware deelen, die blijkbaar reeds vóór het overlijden voor de pers gereed zijn gemaakt. Is reeds het spoedige verschijnen dezer Nederlandsche vertaling -- blijkbaar zijn de actieve Nederlandsche uitgevers hun buitenlandsche collega's voor geweest opmerkelijk, eenigszins ongewoon is de wijze, waarop het werk is ingeleid, of liever waarop dit is nagelaten. Bij dergelijke uitgave verwacht men mededeelingen over de wijze en den tijd van ontstaan, over de bouwstoffen, waaruit het is saamgesteld. Maar onze nieuwsgierigheid wordt niet bevredigd, een voorwoord ontbreekt, ook het inleidende hoofdstuk zegt niets over de wijze van ontstaan, zoodat wij dus uit het werk zelf moeten opmaken, in hoever dit vertrouwen verdient.

Bij het doorlezen daarvan blijkt echter, dat van een mystificatie geen sprake is; eerder krijgt men de gedachte, dat de schrijfster, of wie dan ook met de redactie is belast, juist op plaatsen, waar onze nieuwsgierigheid sterk geprikkeld gaat worden, de pen heeft neergelegd en dat vaak bij gebeurtenissen, waaromtrent een handig compilator gemakkelijk bronnenmateriaal had kunnen vinden. Zoo wordt veel medegedeeld over de voorbereiding van de staatsgreep, maar niets over deze zelve; ook in 1859 stokt het verhaal juist daar waar het belangwekkend gaat worden. Daarentegen bevat het boek verbazend veel kleinigheden, die voor iemand, die buiten het geval staat, niet op te sporen zouden zijn; het berust blijkbaar op aanteekeningen en herinneringen, die voor vreemden niet toegankelijk zullen zijn geweest.

De gedenkschriften moeten in den vorm, die zij nu hebben, reeds eenigen tijd geleden ontstaan zijn; wel wordt van het Concordaat gesproken als van iets dat opgeheven is; ook uit andere gegevens valt op te maken, dat in het eerste tiental jaren der eeuw de laatste hand er aan gelegd is.

Het boek bestaat uit twee zeer verschillende deelen; het eerste heeft geheel het memoirekarakter; het is veel persoonlijker dan het tweede en er gaat veel grooter charme van uit. Het vangt aan met een hoofdstuk over Eugenie's „familie, jeugd en huwelijk", welke titel echter den inhoud niet juist weergeeft, daar er juist over dat huwelijk ongeveer niets wordt gezegd; wel worden aardige bijzonderheden gegeven over den omgang met mannen als Mérimée en Stendhal. Daarop volgt een en ander over den coup d'état, dat eigenlijk in het tweede deel had thuis behoord, en verder een reeks hoofdstukken over het hofleven, de hofvermaken, de bezoeken van vreemde vorsten van het keizerlijk paar aan binnen- en buitenland, waarin veel belangrijks valt te lezen, maar die bovendien een uitnemenden indruk geven van het schitterende hofleven, waarmee

[ocr errors][merged small]

Napoleon het Fransche volk, dat meer dan zijn bekomst had van het burgerlijk gedoe van den burgerkoning, wist te imponeeren. Belangwekkend ook zijn de hoofdstukken over de geboorte, de opvoeding en den tragischen dood van den keizerlijken prins, wiens noodlottig einde ook hier niet wordt opgehelderd, hoewel ook Eugénie elke gedachte aan verraad ter zijde stelt.

Een nauwkeuriger onderzoek zal moeten uitmaken, in hoever dit deel, dat voor niet-historici zeer aantrekkelijk zal zijn, nieuws brengt; ik wijs b.v. op de zending van Fleury naar Algerië om St. Arnauld te winnen voor den staatsgreep, op de aarzeling van dezen, waardoor de coup d'état niet, zooals aanvankelijk de bedoeling was, in September, maar pas op 2 December kon plaats vinden.

In een slothoofdstuk wordt toegegeven, dat de operatie, die ten slotte een eind aan het leven van Napoleon maakte, nauw verband hield met de plannen om een poging te doen tot herstel van den keizerlijken troon, plannen, die evenwel meer van de Bonapartisten dan van den keizer zelf of zijn vrouw schijnen te zijn uitgegaan.

Veel belangrijker dan het eerste is het tweede deel. Wij vinden hier een aantal hoofdstukken over de oorzaken van den Krimoorlog, den Italiaanschen oorlog, de Italiaansche eenheid, de Mexicaansche expeditie, de Poolsche kwestie, de verhouding van Napoleon tot het vraagstuk der Duitsche eenheid en over de gebeurtenissen van 1870 en 1871. Wij vinden hier opnieuw mededeelingen van de zijde der keizerin, zoo b.v. dat zij door haar gemaal geheel buiten de Italiaansche zaken was gehouden, welker verloop zij zeer betreurde. Met klem verzekert zij, dat zij geen schuld heeft aan den oorlog van 1871; trouwens zoowel van Duitsche als van Fransche zijde was reeds erkend, dat de uitdrukking: ,,c'est ma guerre a moi” een van de vele uitingen van laster zijn, waarmee men na den val van het keizerschap de gevallene onschadelijk heeft willen maken. Temeer treft ons echter deze ontkenning, waar zij ruiterlijk erkent wel schuld te hebben aan den grooten misslag van het tweede keizerrijk: het Mexicaansche avontuur, bij welke gelegenheid zij zoowel als de keizer bewijzen van groote naïviteit op politiek gebied hebben gegeven.

Naast deze gegevens, blijkbaar van Eugénie zelf afkomstig, vinden we in dit tweede deel zeer veet citaten, die ontleend zijn aan aanteekeningen van den keizer of verslagen zijn van diens mededeelingen. Tot dusver was, voor zoover mij bekend is, niets van het bestaan hiervan bekend. Wel wisten we, dat de keizer den tijd heeft gevonden voor veel werk met de pen, maar het rechte was nog onbekend; hier vinden wij medegedeeld, hoe Napoleon, afgezien van het groote werk over Julius Caesar, waaraan hij een groot aandeel blijkt te hebben genomen, talrijke dagbladartikelen heeft ontworpen en persoonlijk werkte aan tal van brochures; vaak vinden wij hier de oorspronkelijke, later gewijzigde redactie, wat in veel gevallen van belang kan zijn. Afgezien hiervan evenwel vormen de mededeelingen uit de aanteekeningen en de verslagen van gesprek

« PrécédentContinuer »