Images de page
PDF
ePub

of de Indiese producten in Lissabon kocht, blijkt niet duidelik. *) Omtrent Hans Snel worden in de Inleiding geen verdere bizonderheden vermeld: hij is „Duitsch koopman” en woonde te Lissabon. De hier gepubliceerde correspondentie is verre van volledig. Het zijn een groot aantal brieven door hen gewisseld met hun agenten Jan Janssen en Adriaen Speelman, de laatste te Antwerpen, de eerste te Danzig en in de Nederlanden, en van deze heren onderling, benevens enkele brieven van Jan Janssen aan anderen, die toevallig bewaard bleven door een proces, dat Jan Janssen met Cunertorf voerde. De Lissabonse kooplui zullen zeker ook met anderen hebben gecorrespondeerd (en handel gedreven), maar daarvan blijkt hier weinig, van hun brieven aan Jan Janssen schijnen slechts weinige verloren te zijn gegaan. Daarbij zijn gevoegd enige omvangrijke stukken boekhouding, die eveneens als bewijsstukken moesten dienen en die een wederzijdse verantwoording van hun handelszaken door de procesvoerenden bevatten. Ten slotte volgen enige andere bescheiden in zake het rechtsgeding.

De door Dr. H. E. van Gelder in drie delen van het Econom. Hist. Jaarboek gepubliceerde scheepsrekeningen en handelsbrieven zijn allen afkomstig van het handelshuis van Claes Adriaensz of Nicolaas van Adrichem uit Delft. Deze kan wel zeer goed als tiepe der kooplui van + 1600 gelden. Hij behoort tot een oud patricies geslacht uit zijn woonplaats en brengt het tot het ambt van burgemeester. Hoewel hij dus niet tot de zeer gewonen behoort en ook overigens tot de in handelsmethoden vooruitstrevenden" is te

„ rekenen ?), neemt hij toch geenszins een zo bizondere plaats in als enkele zijner Middelburgse en Amsterdamse ambtsbroeders. Er schijnen van hem nog koopmansboeken uit de jaren 1562—71 bewaard te zijn, maar zij bevatten volgens de verklaring van Dr. van Gelder geen belangrijke gegevens. Voor uitgave meende hij, dat alleen in aanmerking kwamen: 1e. een aantal rekeningen van de in de jaren 1567—1597 door Van Adrichem en zijn compagnons ondernomen -vrachtvaarten tussen Lissabon en Dantzig. 3) Het zijn blijkbaar de rekeningen door de secretaris-reder van het gezelschap opgemaakt, omtrent alle uitgaven en inkomsten der compagnie ter verantwoording en afrekening. Of er nog andere dan deze reizen door hen werden ondernomen is natuurlik niet duidelik en uit de aard der zaak doen zij ons slechts een onderdeel van het bedrijf dier kooplui kennen: van hun handel, die met de scheepvaart geen verband hield, horen wij niets. Minder direct verband met de eigenlike handel hebben de scheepsrekeningen uit 1594 en '95 omtrent de drie reizen naar Guinea. 1) Daarentegen worden ons vele gegevens over de koopman, zijn bedrijf en zijn opvattingen geleverd door de correspondentie van Van Adrichem met zijn factor in Dantzig en enkele anderen, o.a. schippers, waarvan de belangrijkste delen in Deel V van het Jaarboek worden gepubliceerd. Zij zijn uit dezelfde tijd als de vrachtvaartbescheiden en vullen deze dus aan (1580— 1586).

1) Er wordt wel eens gesproken van schepen uit Indie, maar 't blijkt uit niets, dat Cunertorf die zelf reedde; hij bedoelt de aanvoer van peper enz. met de vloot. (p. 14, 16)

2) Oud-Holland, XXXVI, p. 134. 9) E. H. Jaarboek III.

Ten slotte heeft Dr. W. S. Unger onlangs het handelsboek van Eustace Caigniart uitgegeven, een Fransman, die zich te Middelburg (en later te Brugge) vestigde en daar handel dreef in wijn, die uit Frankrijk door hem werd ingevoerd. Het loopt van 1541—1562 en is dus uit een vroeger periode dan de bovengenoemde, maar het bedrijf blijkt duidelik een schakel in de ontwikkeling naar dat der beschrevenen, zodat wij ze in één verband kunnen behandelen, al zullen wij steeds in 't oog moeten houden, dat er tussen deze drie 30 jaren van vooruitgang en evolutie liggen. Wat dan leren ons deze gegevens? Helaas geven zij reeds dadelik

zeer onvolledig antwoord op de eerste vraag, die wij stellen: welke is de omvang van hun bedrijf? Het handelsboek van Caigniart is zeker onvolledig en de brieven der anderen behandelen alleen wat omgaat tussen de kooplui en enkelen hunner factors. Zelfs van de betrekkingen van Van Adrichem met zijn factor te Dantzig geeft de bloemlezing uit zijn brieven natuurlik geen volledig beeld. Zo zendt hij b.v. kort na elkaar in 't jaar 1583 aanzienlike bedragen naar Dantzig. De factor moest daar inkopen voor doen, maar kon daartoe tevens de gelden, uit de verkoop van zout en andere artikelen verkregen, besteden. In Januari en Februari van dat jaar zendt hij 441 £, 10 st., per wissel en van 12 Maart tot 29 Sept. in gemerkte zakjes, aan verschillende schippers toevertrouwd, 208 rijksdaalders, 171 hongaarse ducaten, 1630 daalders en 111 halve milreis, wat in ronde getallen uitgerekend ongeveer f 3480.— zou zijn. Dit doet zeker voor het gehele bedrijf een zeer aanzienlike omzet vermoeden. Voor deze som alleen zou de Dantziger factor ruim 100 last tarwe kunnen kopen, d.i. een flinke scheepslading in de tijd van een half

een

1) Ibidem II.

jaar, terwijl in 1583 in 't geheel 94 Delftse schepen de Sont passeerden. ^) Voor deze ééne koopman betekent dit bedrag dus 2 % van de gehele Oostzeehandel van zijn woonplaats.

Het zijn ook dergelijke cijfers, die wij van Cunertorf vinden. In de tabellen I-III heb ik verzameld, wat uit de correspondentie van deze firma blijkt omtrent hun betrekkingen met Dantzig en de Nederlanden voor zover deze over hun eigen factors gingen. Vergelijkt men I en III dan valt op te merken, dat de bestelde hoeveelheden lang niet altijd ook verzonden werden, terwijl toch de correspondentie geen lacunes vertoont. In 't algemeen geven zij weinig houvast; slechts dit: in 1578, als de brieven 't menigvuldigst zijn, verschepen zij 288 last tarwe, waartegenover vrij grote hoeveelheden kostbare specerijen, maar slechts geringe vrachten zout (de echte groothandel) staan. Cunertorf staat dus wel met Adrichem op één hoogte en is evenals hij een van velen, die geenszins de handel in een bepaald product of op een bepaalde plaats beheerst.

Ten slotte heb ik uit het handelsboek van Eustace Caigniart bijeengeteld, wat hij opgeeft als door hem verkocht voor enkele perioden, waarin tenminste een groot aantal posten werden geboekt.") Van 23 Juli tot 3 September 1541, d.w.z. in 6 weken, heeft hij 742 ton wijn verkocht, gemiddeld tegen een prijs van 4 livr. 15 s., wat dus een bedrag van 30 liv. 122 s. oplevert;

van 8 Januari–17 Maart 1542 verkocht hij 36 ton wijn, alzo voor een bedrag van 170 livr.;

van 30 Mei—2 Juli 40 ton, 1 poinçon wijn, d.i. 191 liv. 1 s.

Dit zou, al is 't een zeer gevaarlike berekening, een gemiddelde minimum-omzet geven van 1045 liv. per jaar (wat betreft de wijn, de andere artikelen zijn zeer verschillend en geven geen grote bedragen). Zeker is dit een kleiner bedrijf dan van de beide anderen, vooral omdat hier stellig een minder klein deel van 't bedrijf in de cijfers werd uitgedrukt.

Eustace Caigniart geeft slechts zelden op, hoe hij zijn waren koopt, maar de enkele gegevens, die zijn handelsboek ons verstrekt, tonen toch duidelik genoeg, dat hij in 't buitenland kocht en in Middelburg leverde of van uit Middelburg verzond. (De hoeveelheden en plaatsen komen later ter sprake.) Anders is dit bij Cunertorf en Van Adrichem. De eerste heeft blijkbaar, zowel zelf als door zijn factors, handel gedreven geheel los van de scheepvaart en het vervoer. Een enkele maal vermeldt een der firmanten dit in zijn brieven. Hans Snel b.v. verkoopt zout in grote partijen van 1000 en 1500 moy aan schepen in Setubal of Lissabon en meent zelfs wel 4000 moy (= 330 last) te kunnen verkopen, nu er zoveel schepen arriveren. ?) Omgekeerd krijgt Jan Janssen last in Dantzig 150 à 200 last zout te kopen en in een pakhuis daar te laten liggen. ?). Uit deze enkele noteringen blijkt, dat de zo verhandelde partijen veel groter zijn dan de verscheepte. Op gelijke wijze bij Van Adrichem. De scheepsrekeningen vermelden zeer dikwijls kleine partijen graan, die in natura aan de reders verdeeld worden, natuurlik om opgenomen te worden in hun graanhandel, die grotere partijen omvatte. In de instructie van een factor wordt hem de vrijheid gegeven goederen in den vreemde gekocht zonder verscheping voordelig te verkopen ter plaatse. :) In de brieven uit Dantzig wordt zo iets echter niet gemeld; te weinig gegevens dus om de omvang ook slechts te gissen.

1) Van Ravesteyn, De economische en sociale ontwikkeling van Amsterdam, A'dam 1906, bijlage VII.

3) Uit de datums der posten mag dunkt mij opgemaakt worden, dat hij soms alles dan weer tijden lang niets optekende; hij boekt zowel à contant als op termijn verkochte partijen, maar misschien niet wat hij per maat sleet (Inleiding, p. 32).

Veel belangrijker zijn de gegevens, die ons deze bescheiden leveren, omtrent de soort van handel. Von Below heeft indertijd de vraag behandeld: Groot- of kleinhandel in de Middeleeuwen? en komt daarbij tot de conclusie, dat in de Middeleeuwen groot- en kleinhandel meest vereenigd waren en wel zo, dat de groothandel het bijkomstige was; enkelen echter dreven hoofdzakelik groothandel. In de 14e eeuw komt er kentering, in de 15e eeuw duidt veel op een afzonderlike stand van groothandelaars. 4) Dr. Van Dillen wil voor de Middeleeuwen reeds vroeger een stand van kooplieden aannemen, die als hoofdberoep de groothandel hadden. 5) Hoe dit ook zij, voor de 16e eeuw tonen wel de volgende gegevens, dat ook dan nog groot- en kleinhandel niet geheel gescheiden zijn, maar ook, dat er een tendens is de detailhandel in eigenlike zin geheel te laten aan uitsluitend detaillisten. Hieromtrent leveren ons deze correspondenties enz. veel nieuw materiaal, wat betreft de Nederlanden. Groothandelaar is men niet alleen door de omvang van zijn bedrijf. Belangrijke vragen zijn daarbij: in hoe grote partijen wordt gehandeld en aan wie wordt verkocht? Dit eerst bepaalt de plaats van de koopman in de samenleving en de soort van zijn werk. En wat dit betreft zijn, dunkt mij, Cunertorf zowel als Van Adrichem en Caigniart ten hoogste wat wij noemen grossier, en in icder geval slechts op zeer enkele punten met de tegenwoordige groothandelaar-exporteur (zij zijn alleen overzeehandelaars) gelijk te stellen. ?)

1) Nanninga Uitterdijk, p. 96.
2) Ibidem p. 207.
3) Ec. Hist. Jaarboek 1919, 147.

4) Groszhändler und Kleinhändler im deutschen Mittelalter, Jahrb. f. Nationalökonomie, III. Folge, 20 Bd.; 1900 p. 47, 48.

5) Het economisch karakter der middeleeuwsche stad, Diss. Amsterdam 1914, p. 204. 1) Uit de hier verzamelde gegevens is dunkt mij wel een zekerder conclusie te trekken, dan Dr. Unger waagt (die in dezelfde geest is): De levensmiddelenvoorziening der Holl steden in de Middeleeuwen, Diss. Amsterdam 1916, p. 50.

Ik maak deze conclusie uit de zeer kleine hoeveelheden, naast vele partijen van aanzienlike grootte, die door allen worden gekocht en verkocht. In de eerste plaats Caigniart, de oudste, die zeker nog het meest middeleeuwer is en ook in een milieu werkte, waar de Middeleeuwse stapelgeest nog levendig was. In tabel IV is bijeenverzameld wat omtrent zijn verkoop van wijn uit de jaren 1541, 1542 en 1552 blijkt, uit 1555 van haring en, zonder opgave van jaar, van mutsen.

Wat mogen wij omtrent dit bedrijf uit deze gegevens besluiten? In de eerste plaats bedenke men, dat deze wijnhandelaar, die daarnaast in vele andere artikelen handel drijft, zijn artikelen in 't groot inkoopt. Eens b.v. krijgt hij 24 ton wijn tegelijk aan (338); elders wordt de inkoopsprijs van wijn 6 livr. 10 s. genoemd; er was dus met deze inkoop 147 liv. gemoeid, wat zeker voor die tijd een aanzienlik bedrag is. Dit is geen uitzondering. Blijkens de aantekeningen in 't handelsboek komen voor hem in November 1555 2 schepen met wijn geladen aan en hij verkoopt van hun lading 24 en 63 ton tegelijk voor de somma van 485 liv. 11 s. Jammer genoeg, zijn dit ongeveer de enige gegevens over Caigniarts inkopen, maar opvallend is 't wel, dat geen enkele zeer kleine partij wordt genoemd. De kleinste is 1 ton en dat schijnt nog de betaling van door hem geleverde gouden ringen te zijn; verder worden 2 en 4 ton vermeld. Ook de haring heeft hij minstens bij 't last ingekocht. Dit laatste artikel krijgt hij van Nederlanders, de wijn daarentegen heeft hij in 't buitenland direct betrokken, in Rochelle, Rez, Rouen. Eenmaal wordt een leverancier met een nederlandse naam (296) genoemd en een keer schijnt hij van de schipper zijn wijn in Middelburg zelf te hebben gekocht (445). Merkwaardig is de grote partij (2 maal 10 ton), die hij van zijn broer te Rouen betrekt, aan wie hij ook weer haring levert en die dus zeker als zijn zaakwaarnemer is opgetreden.

Wijst dit alles op een inkoop in 't groot als de vrijwel uitsluitend voorkomende, geheel anders is 't met de verkoop. Naast de enkele

« PrécédentContinuer »