Images de page
PDF
ePub

2 May 1669. Obit amicus meus Petrus Post, architectus. En onder zijne Sneldichten vindt men een berijmd grafschrift, waarin de luim van den dichter echter meer te voorschijn kwam dan men met de droefheid van den vriend bestaanbaar zou achten:

By dese Post

Light Pieter Post,
Die won syn kost

Soo veel hy kost

Aen Balck en Post,

En wierd verlost

Met hy begost

En als hy most
Vergingh te Post.

De vier dochters van den overledene waren toen allen nog in leven, en hadden goede partijen gedaan. Catharina was gehuwd met Philippus de Milly, raad en vroedschap, Maria met den hoogleeraar in de ontleedkunde Frederik Ruysch, Elisabeth met Pieter v. d. Meer en Josyna met Francois Drijfhout. Van de beide zoons volgde Maurits den vader op in zijne bediening als stadhouderlijk architect. Deze had bij zijn doop, op 12 Dec. 1645, den naam ontvangen van den voormaligen patroon zijns vaders, Joan Maurits van Nassau-Siegen, die ook bij de doopplechtigheid aanwezig was. Aan den stadhouder Willem III bewees hij gelijke diensten als zijn vader aan diens beide voorgangers, maar kwam dien vader niet nabij in de,,cloeckheit, bequaemheit ende experientie", door Frederik Hendrik zijn architect nagegeven. Dat hij intusschen eenig recht had op zijn titel van,,architect ende schilder" zou men mogen opmaken uit eene aanteekening van 1676 in het Journaal van Constantijn Huygens den zoon, tijdens deze als secretaris van den prins (Willem III) te velde was:

,,Son Altesse me monstra des desseins que Post et Verschuer avoyent faits pour des Platfonds à Soestdyck."

Deze zoon van den bouwmeester stierf reeds in 't volgend jaar, zooals uit eene andere aanteekening in hetzelfde Journaal blijkt: ,,1677. Mardy 8. L'on manda de la Haye que Post, architecte de Son Altesse, estoit decedé."

Met Pieter Post, den zoon van den Leidschen „,glasscriver", stierf de bekwaamste onder de jongeren van Jacob van Campen. Zijne vaderstad Haarlem (waar nog ettelijke familiën van den naam Post gevestigd zijn) zou in hare voorname gebouwen geen herinnering

aan zijne kunst, geen schepping van zijne hand bewaren; zijn tweede vaderstad, 's-Gravenhage, was daarbij in 't voordeel. Ofschoon zijn naam in beroemdheid met dien van zijn leermeester niet kon wedijveren, toch is die naam niet de minste op de geschiedrol der Nederlandsche bouwkunst. De mannen van het vak houden zijn naam in eervol aandenken, wetende dat hij zooveel voortreffelijke bouwwerken of geheel of ten deele tot stand bracht, dat hij zijn talent dienstbaar maakte aan den bouw van vermaarde paleizen en stadhuizen. Met name aan dat Amsterdamsche stadhuis, waarvan ,,'s lands oudste en grootste poeët", Joost van den Vondel, getuigde: Hier houdt het burgerhof de wateren in toom,

Geplant op Amstels grond gelijk een hooge boom,
Die zijne wortels schiet heel diep en taai in d'aarde.

[merged small][merged small][merged small][ocr errors]

De oogst op het terrein der primitieve kunst was tot dusver nog schraal. Naast enkele algemeen voorkomende kleuren, waarvan rood en wit domineeren in de lichaamsbeschildering, troffen wij de nerventeekening aan, welke uit het bloedoffer ontstaan, verband houdt met de stamverhoudingen en zich verder schijnt ontwikkeld te hebben in het tatoueeren. Overigens vonden wij het bloedoffer op andere wijze bestendigd en aan de versiering dienstbaar gemaakt, zooals in de doorboring van neus, ooren en lippen en ten slotte wezen wij op de eigenaardige ornamentiek, die hoewel geometrisch uitziende in wezen een symbolieken vorm van menschen- en dierenfiguren schijnt te bedoelen.

Dit symbolisch karakter kan de vraag niet wettigen of wij hier in waarheid met kunst te doen hebben, integendeel is het te meer een grond om een zekere ontwikkeling der kunst te aanvaarden, waaruit die symboliek is opgekomen. Juist daarom rijst onmiddellijk een andere vraag, n.l. of deze producten der modern-primitieven wel met eenige zekerheid tot de eigenlijke primitieve kunst, dus tot de kunst in haar aanvang moeten worden gerekend. Op zichzelf is dit reeds onwaarschijnlijk. De symbolische kunst onderstelt een zekere vaardigheid in het teekenen, die trouwens bij de Jagersvolkeren vrij algemeen wordt aangetroffen, wijl zij goede waarnemers zijn. De rotsteekeningen, die bij Australiërs en Boschjesmannen worden gevonden, en de teeken- en snijwerken der Eskimo's verraden dan ook bij het gemis aan perspectief en ondanks den technischen achterstand der vervaardigers een veeltijds treffende levendigheid. Voorts is de mimiek den primitieven zoo eigen, dat ook in verband daarmede veeleer een imiteerende dan een symbolieke kunst aan den aanvang moet worden gedacht. De voorbeelden van prae-historische sculptuur wekken onwillekeurig de onderstelling op, dat het begin der kunstontwikkeling lag in de plastiek. De cultische dans verricht in

dit proces wellicht een belangrijke functie en vereenigt in zich verschillende kunstvormen. Plastisch van aard wordt de uitwerking verhoogd door de ornamentiek van het lichaam als een primitieve schilderkunst, en door de begeleidende muziek, waarbij ook de poëzie werkzaam optreedt. Het is derhalve niet zonder beteekenis, dat de ornamentiek volgens de belangrijke onderzoekingen van Dr. Hjalmar Stolpe haar uitgangspunt heeft in een menschenfiguur, die karakteristiek in danshouding wordt voorgesteld 1). Bovendien verricht de mimiek van den dans en alle begeleidende omstandigheden daaraan verbonden een eigenaardig cultische functie, die uitdrukking geeft aan wat er leeft in het religieus bewustzijn van den primitieve. De cultus opent voor hem een intelligibele wereld en verraadt daarin tegelijk een wezenlijk religieusen en artistieken trek.

Religie en kunst gaan in het zinnelijke op, zoodat de conclusie niet verre ligt, dat dezelfde factoren, die in dit proces werkzaam zijn, aanleiding werden om de voorbijgaande werking van den dans een blijvenden vorm te geven in het idool, dat aan de ornamentiek ten grondslag ligt.

Alleen ten opzichte van de religie is dit een degeneratief verschijnsel, terwijl de plastiek nevens een zelfstandige ontwikkeling der primitieve beeldhouwkunst allengs overgaat in snij- en schilderkunst. Het behoeft niet meer gezegd, dat wat voor de Polynesische ornamentiek geldt, n.l., dat een menschenfiguur het grondmotief vormt, ook elders op overeenkomstige wijze doorgaat. Wij wezen er reeds op, dat de Amerikaansche ornamentiek volgens Ehrenreich teruggaat op motieven uit de dierenwereld. 2) Het religieus moment is daar echter even duidelijk, want hetgeen Dr. Hjalmar Stolpe omtrent de Polynesiers zegt, dat het moeilijker te bewijzen is, waar de religie niet in het spel is, dan het tegendeel 3), mag vrij voor alle natuurvolkeren worden aangenomen. Eenerzijds is dit een gevolg van de algemeenheid en het centraal karakter der religie, doch anderzijds niet minder van de zinnelijkheid der primitieven. Een identiteit van kunst en religie, die in onze cultuurwereld somtijds en ten onrechte wordt gepredikt, is voor de natuurvolken gewoon. Het zuiver ideëele wordt door het primitieve denken niet gegrepen, doch het religieus grondgevoelen poneert een wereld van geesten, een

1) Entwicklungserscheinungen in der Ornamentik der Naturvölker, Mittheilungen der Antrop. Gesellsch. in Wien. XXII Bd. Wien. 1892. S. 33.

* Vgl. Grosse. a. a. O. S. 114 f.

3) a. a. O. S. 24.

spiritueele realiteit, die zich in het zinnelijke manifesteert. In diezelfde wereld van voorstellingen wortelt het ideaal karakter der primitieve kunst.

Het ligt dus voor de hand, dat de symboliek is ontleend aan grondvormen, die als objecten van religieusen cultus verschijnen. Het nauw verband tusschen religie en kunst spreekt ook in de rotsteekeningen, die worden gevonden. Terloops zij echter opgemerkt, dat zij niet zonder uitzondering als producten van primitieve kunst mogen worden beschouwd. Als een Boschjesman o.m. een Boer teekent met zijn breedgeranden hoed, is dit zeker geen primitieve kunst. 1) Ook hier treffen ons in de eerste plaats die kunstgewrochten, welke saamhangen met mythen en sagen en dan is het opmerkelijk, dat in Australië de kangeroe en in Afrika de eland naast andere vereerde dieren veelvuldig voorkomen. Bekend zijn de teekeningen in een spelonk aan den Glenelg door Grey ontdekt. 2) De menschen- en dierenfiguren overtreffen verre de producten van symbolische kunst, zoodat men geneigd is aan vreemden invloed te denken. Grosse wijst er op, dat men reeds eerder Maleische inwerking heeft ondersteld. Schriftteekens, die aan een menschenfiguur zijn aangebracht, werden door Gerland voor Bugi- of Makassaarsche letters gehouden. 3) Dit beteekent nog geenszins, dat de vervaardiger geen Australiër is geweest, doch hij kan bij de Maleiërs ter school zijn gegaan. Hoe dit ook zij, het is evengoed mogelijk, dat de rotsteekeningen teruggaan op lang verleden tijden en voortzetting zijn van dezelfde kunst, die de symboliek deed geboren worden.

In ieder geval hangen zij samen met religieuse voorstellingen. De sage deelt mede, dat eertijds de maan in de grot aan den Glenelg woonde en dat zij de vervaardigster is van de teekeningen. *) De mythen in verschillende streken van Australië wijzen op maancultus. Schürmann meldt de voorstelling van een Hades in den vorm van een grot, waar de zielen der voorvaderen huizen. In Zuid-Australië wordt weer de Hades-voorstelling verbonden met zonnemythen. Wellicht zijn dergelijke voorstellingen oorzaak, dat de spelonken, als woonplaatsen der goden, door de menschen worden vermeden. 5) Daarbij komt nog de grondgedachte in vele mythen voortlevend, dat de zielen der afgestorvenen onder de sterren worden geplaatst.

1) Vgl. Grosse. a. a. O. S. 176.

2) Vgl. George Grey. Journals of Two Expeditions of Discovery in N. W. and W.-Australia. Londen 1841. I. p. 199 seqq, waar men ook de reproducties vindt. 3) Grosse a. a. O. S. 163.

4) Ratzel, Völkerkunde. Leipzig u. Wien, 1890. II. S. 89.

5) Ratzel, a. a. O. II. S. 92 f.

« PrécédentContinuer »