Images de page
PDF
ePub

zij, die

verkeerd, het is niet aan te nemen, dat vóór + 400 plebeiers in den senaat kwamen, maar de term equester gradus behoeft een verklaring, die uit de volgende pagina's naar ik hoop van zelf zal voortkomen. Tegelijkertijd zal dan de uitdrukking οι έξω της βουλής ιππείς behandeld moeten worden, welke Dionysius (10.10) naar aanleiding van de gebeurtenissen van 460 gebruikt.

Livius' verhaal van den Veientischen oorlog geeft ons aanleiding een eersten pas in die richting te doen. Er kwamen van het oorlogstooneel ongunstige berichten, met het beleg van Vei ging het niet naar wensch en binnenlandsche onlusten hadden de in Livius' oogen verfoeilijke tribuni plebis verwekt om op onpatriottische wijze den senaat eenige concessies af te dwingen. Op dat oogenblik hielden

den census equester hadden, maar niet met het ridderpaard waren vereerd, d.w.z. die niet in de 18 centuriae equitum equo publico waren opgenomen, een vergadering, waarin besloten werd den senaat het aanbod te doen om op eigen paarden den staat te dienen. Vrij algemeen wordt Livius' voorstelling, als żou er in dien tijd reeds een riddercensus bestaan hebben, als een anachronisme beschouwd. In elk geval wordt die census hier het eerst vermeld. Een deputatie van deze census-equites zoo zal ik ze voor het gemak maar noemen, de Duitschers spreken van qualificirte equites krijgt toegang tot den senaat en wordt om 't genereuse aanbod geprezen. Dan wil „de plebs” niet achterblijven; als de ordo equester zóó optreedt, dient de ordo pedester ook een blijk van opofferende vaderlandsliefde te geven. De plebs of haar voorgangers bieden zich aan voor onverplichten dienst te voet. De commentatores verklaren het woord ordo equester voor anachronistisch en den geheel ongehoorden term ordo pedester als voor de tegenstelling met equester uit stijlmotieven voor deze gelegenheid nieuw gevormd. Senaat en volk, patribus plebeique, stroomen de tranen van aandoening langs de wangen; een s.-c. wordt gemaakt om zoowel equites als pedites te danken. Toegegeven, dat, afgezien nog van de dramatische voorstelling, deze indeeling senaat-equites-plebs onhistorisch lijkt en sterk herinnert aan de toestanden van Livius' dagen, toegegeven ook, dat we met steunplaatsen uit andere boeken van Livius, waar van een ordo equester gesproken wordt, zooals in het Sp. Maeliusverhaal van het jaar 439 (4.13.1) geen stap verder komen, toch mogen we, dunkt me, niet te gauw Livius hier van een besliste fout betichten en hem geheel en al als een ontoerekenbaar rederijker beschouwen. Wat Livius' tijd betreft, het is bekend, dat in Augustus' dagen scherp afgescheiden bestonden een ordo senatorius met een minimum-census van 1.000.000 HS, een ordo equester met een census van 400.000 HS en dat wie minder had, als plebs werd beschouwd, zooals Horatius (ep. 1.1.58) zegt: sed quadringentis sex septem milia desunt: plebs eris. Het is mogelijk, dat Livius bij zijn verhaal onder den invloed stond van deze nomenclatuur, maar veel waarschijnlijker acht ik het, dat hij afhankelijk is van oude auteurs of liever van oude berichten, waarvan hij bij zijn auteurs de sporen vond.

Aan de z.g. Serviaansche klassenindeeling, die natuurlijk van veel later tijd is, met haar vijf verschillende censusminima zijn zeker voorafgegaan indeelingen met minder gedifferentieerde klassen. Een tweeklassige van patriciërs-equites en plebeiers-pedites ligt voor de hand en een splitsing van de voorname klasse naar den leeftijd, zoodat de jongeren voor den krijgsdienst en de ouderen voor den raad der ouden aangewezen werden, kan als een eerste uitbreiding, naar mijn meening althans, niet onaannemelijk geacht worden. De Serviaansche centuriënindeeling heeft dit gemeen met het Solonische systeem, dat zij timokratisch is, maar het lijkt me ondenkbaar, dat haar schepper of in ieder geval het publiek zich geheel heeft kunnen losmaken van het overgeleverde. Ook bij Solon vinden we een vermenging van twee principes, n.l. den naam inneīs als bijnaam van de tweede vermogensklasse, omdat de leden dezer klasse verplicht waren, zoo noodig, het vaderland te paard te dienen, een verplichting, die de eerste klasse natuurlijk a fortiori ook had, terwijl deze alleen het recht had door haar leden de hooge ambten, allereerst de archontenplaatsen, te doen bezetten. In weerwil echter van deze speciale benaming van de tweede Solonische klasse vinden we in het Athene van Mantitheos, Xenophon en Strepsiades een ruitercorps bestaande uit rijke en — zeker voor een deel - aanzienlijke jongelui, die in de politiek doorgingen voor oligarchisch of althans antidemocratisch, tenminste de democraten zagen hen gaarne naar Thibron vertrekken en waren volstrekt niet verlangend naar hun terugkeer. Daarom ook heeft de vermoeding van Lammert (vgl. zijn artikel in Pauly-Wissowa), dat de inteīs oudtijds de hoogste klasse vormden en dat Solon of misschien een vorig wetgever uit dien ridderstand een nog rijkere afgezonderd heeft, die derhalve den naam Erreic versmaadde, m. i. veel waarschijnlijks, zelfs zooveel, dat ik hetzelfde of iets dergelijks ook bij de Romeinen aanneem. Livius is zeker dan betrouwbaar, als hij het niet- of verkeerd-begrepene meedeelt; hoe hij het verklaart, is vaak van veel minder belang, maar als in het bovenstaande een mogelijkheid verborgen ligt, dan zijn de primores equestris gradus van Liv. 2.1.10 de aanzienlijkste mannen TIJDSCHRIFT VOOR GESCHIEDENIS.

17

der eerste klasse, die den 60-jarigen leeftijd nog niet bereikt en dus nog geen senaatsrecht verkregen hadden, natuurlijk patriciërs, dan is Sp. Maelius (Liv. 4.13.1) een rijk lid van de eerste klasse en de έξω της βουλής ιππείς van Dionysius de – in dit geval patricische eerste-klasseleden, van wie zeker verscheidenen met het ridderpaard waren begiftigd.

Het staat volkomen vast, dat de centuriae equitum nooit meer dan 1800 leden geteld hebben, zoolang de republiek heeft bestaan; Cato's poging om hun aantal te vermeerderen is mislukt. Het staat dus evenzeer vast, dat, wanneer er een grooter aantal dan 1800 ridders of ruiters wordt vermeld, die vermelding betrekking heeft op een andere soort equites; dit moeten of de equites zijn uit de latere republiek, die met ruiterdienst niets meer te maken hadden en een census van 400.000 HS bezaten, of de bovengenoemde censusequites, die in 403 het eerst worden vermeld. Was die census in 403 nu even hoog als in de latere republiek, n.l. 400.000 HS? Alvorens dit uit te maken, moet ik me een uitweiding veroorloven over het gebeurde in 403. Het wordt, meen ik, vrij algemeen aangenomen, dat in dezen tijd een nieuwe organisatie van het Romeinsche leger plaats had, die aan Camillus wordt toegeschreven. Op deze hervorming doelt Polybius (6. 20.9) als hij zegt: Vroeger placht men na het voetvolk de ruiters in te deelen (keuren, doxiuáčelv), maar nu is de volgorde andersom πλουτίνδην αυτών γεγενημένης ünÒ tunzoŨ xhoyns. Wat de feiten betreft, heeft Polybius beslist gelijk, maar die laatste, door mij woordelijk aangehaalde, zin heeft, geloof ik, geen bewijskracht. Immers de censoren ordenden de riddercenturiën, zoowel vroeger als later, steeds nà de klassen van het voetvolk. Eerst wordt het geheele volk opgeroepen en in de vijf vermogensklassen ingedeeld, daarna worden de centuriae equitum gevormd. Deze volgorde wijst wel niet direct op een census equester, maar als er een bestond, kon het niet anders geschieden, want om de opengevallen plaatsen in het ruitercorps te bezetten, moest men toch de beschikking hebben over de vermogenslijsten. Overigens heeft Polybius gelijk. Oudtijds vóór 400 — werden de legioensruiters na de vorming der legioenen ingedeeld, genomen uit de reeds bestaande 18 centuriën; in Polybius' tijd echter zijn deze 1800 man geheel onvoldoende en haalt de commandeerende generaal zijn ruiters uit de census-equites; daarna vormt hij eerst de noodige legioenen. Waar nu Mommsen (R. G. 1. 787) zegt: „Wo equites equo privato vorkommen, sind es Freiwilligen- oder Strafabtheilungen”, kan dit waar zijn met allen nadruk op vorkommen, n.l. in de literatuur, maar zonder eenigen twijfel bestond voor de census-equites de verplichting om op eigen paard te dienen. Dit blijkt uit de censuren van 214 en 209. Na de geweldige nederlaag bij Cannae en de ontdekking van het door Livius (22. 53. 4) natuurlijk verfoeide plan om Italië te verlaten werden er algemeen strenge maatregelen gewenscht tegen de troepen, die zich aan lafhartigheid voor den vijand hadden schuldig gemaakt en tegen de samenzweerders, die bij het desertie-schandaal betrokken waren geweest. De dictator senatus legendi causa M. Fabius Buteo had zich in 216 van elken uitzonderingsmaatregel onthouden; hij onderhield een soort godsvrede, maar de censoren van 214 en 209 waren van een ander gevoelen. Daar er door het overlijden van een der censoren van 214, Furius, geen lustrum tot stand kwam, is het de vraag, of wel één bepaling van 214 is uitgevoerd.

Ik zet de bepalingen der beide censuren ter vergelijking naast elkaar.

[blocks in formation]

1. M. Caec. Metellus, die toen 1. M. Caec. Metellus, die inquaestor was en de anderen, die middels tribunus plebis was ge(volgens een m. i. zekere correc- worden, werd niet in den senaat tie in § 3) het plan hadden ge- opgenomen en de weinige equimaakt Italië te verlaten, werden, tes, die zich aan hetzelfde snoode voorzoover ze het ridderpaard plan hadden schuldig gemaakt, hadden, daarvan beroofd, uit werden met de nota censoria hun tribus gezet en tot aerarii gestraft (Liv. 27. 11. 12). gemaakt (Liv. 24. 18. 3 sq).

2. Hetzelfde lot trof hen, die 2. Dit punt komt niet voor. zich hadden onttrokken aan de gevangenschap bij Hannibal (ib. 18.5 sq.; 43. 24).

3. Zij, die in vier jaar geen 3. Al degenen, die verplicht dienst hadden gedaan zonder waren te paard te dienen, lieten geldige vrijstelling of excuus ze opsporen en zij, die in het wegens ziekte, werden uit de ta- begin van den oorlog 17 jaar bulae iuniorum geschrapt; zij

waren geweest en niet hadden waren meer dan 2000 in aantal; gediend, werden allen tot aerarii

werden uit hun tribus gemaakt (ib. § 15). gestooten en tot aerarii gemaakt (en allen, die de nota had getroffen, werden bij s.-c. gecom

ook zij

mandeerd om te voet te dienen, naar Sicilië gezonden te worden en daar met de restes van het Cannensische leger te dienen tot Hannibal uit Italië zou zijn geworpen (ib. 18. 7–9).

4. Den in Sicilië dienenden equites, die tot de Cannensische legioenen hadden behoord -- en dat waren er velen werd het ridderpaard ontnomen. Er werd bepaald, dat de dienstjaren, die ze „equo publico emeruerant" voor hun dienstjaren niet zouden meetellen, maar dat ze 10 jaren zouden dienen equis privatis (ib. § 14).

Het sub 1 genoemde punt, de maatregelen tegen de auctores deserendae Italiae stemmen in 214 en 209 overeen.

De verontwaardiging tegen de nimis callidi exsolvendi iuris iurandi interpretes in 214 nog zeer levendig (punt 2) was blijkbaar in 209 geluwd.

Maar nu sub 3. Zijn de in 214 en de in 209 genoemden identisch? Er schijnen verschillen te bestaan. In het bericht van 209 worden zij uitdrukkelijk genoemd: diegenen, die verplicht waren te paard te dienen; dit waren natuurlijk geen equites equo publico, die niet opgespoord behoefden te worden, maar census-equites, want waarin anders zou hun qualificatie hebben kunnen bestaan dan in een census? Zij worden getroffen, die in het begin van den oorlog 17 jaar, dus dienstplichtig waren geweest. Ik laat de bekende quaestie achterwege, of men eerst op 18 of reeds op zijn 18de jaar dienstplichtig werd; volgens deze plaats zou men zeggen: het laatste. In 214 wordt niet uitdrukkelijk gezegd, dat de bepaling equites gold, maar de onmiddellijk volgende vermelding van het s.-c. omtrent het dienen te voet, maakt het zeker, dat hier van census-equites sprake is. Het woord quadriennio voert ons, als we het letterlijk opvatten, niet tot het begin van den oorlog, maar tot het jaar daarna, tenzij de 5e jaar-veldtocht bij het optreden der censoren nog niet begonnen was, maar een dergelijke onzekerheid acht ik van gering belang. Er is echter een ander bezwaar: in 214 zouden deze ontrouwe dienst

« PrécédentContinuer »