Images de page
PDF
ePub

plichtigen uit de tabulae iuniorum zijn geschrapt. Volgens de gewone terminologie zijn dit de naamlijsten van hen, die verplicht zijn te voet in de legioenen te dienen, dus alle dienstplichtigen van 18—45 jaar, maar nu zien wij, dat deze geschrapten worden gecommandeerd om verder te dienen; ik meen, dat de moeilijkheid is te ondervangen, als we bij Livius een fout aannemen in het gebruik van den term tabulae iuniorum. In zijn tijd sprak men van een cuneus iuniorum om de plaatsen aan te duiden, die in het theater waren gereserveerd voor de equites illustres (Tac. ann. 2. 83. 5); de titel princeps iuventutis wijst op 't zelfde gebruik (ib. 1.3. 2). Neemt men aan, dat Livius 't woord gebruikt voor de lijsten der censusequites, dan krijgt ook het s.-C., dat volgt, beteekenis en sluit de bepaling met de overeenkomstige van 209. Het s.-c. stelde hen gelijk met de Cannensische vluchtelingen, over wie een dergelijk besluit genomen was in 216 (Liv. 23. 25. 7); n.1. dat ze naar Sicilië zouden worden overgebracht om daar voor den geheelen duur van den oorlog in Italië krijgsdienst te doen. Deze meer dan 2000 census-equites werden dus bij s.-C. van den ruiterdienst uitgesloten, m.a.w. de commandeerende generaal op Sicilië kreeg de instructie hen niet toe te laten tot den ruiterdienst equis privatis, want dit was geen censoren-zaak, maar betrof de taak van den commandeerenden generaal. In 212 ging een deputatie uit de Cannensische vluchtelingen met verlof van hun chef Lentulus naar consul Marcellus om eerherstel, waarbij zij van hem en van den senaat nul op het request kregen (Liv. 25. 5. 107.5). Zonder twijfel zal menigeen het s.-C., dat het besluit van 216 bevestigde, te streng gevonden hebben, maar niet alzoo de autoritaire senaatspartij en de censoren van 209. Want deze bevestigden het besluit van 216 omtrent de Cannensische vluchtelingen en de bepalingen van 214 door de equites-deserteurs en de census-equites, die niet hadden gediend, van de nota te voorzien.

Daarvoor bestond alleszins aanleiding, immers zij waren eerlang tien jaar in dienst en konden dus in normale tijden aanspraak maken op ontslag. Zij verliezen nu het ridderpaard en hun wordt aangezegd, dat hun dienstjaren niet zullen meetellen, zoodat zij opnieuw kunnen beginnen te dienen, maar nu suis equis (4). Ik meen, dat uit dit alles wel gebleken is, dat de sub 1 en 3 genoemde personen in 214 en 209 identisch zijn en dat we moeten aannemen, dat in 214 wegens het ontbreken van het lustrum geen der bepalingen rechtskracht heeft gekregen; anders zouden de censuren van 214 en 209 niets geweest zijn dan een bis in idem.

Hoe men ook over het bovenstaande moge denken, uit de censuur

van 209 blijkt, dat er een verplichting bestond om desgevorderd te paard te dienen.

In verband hiermede is ook van groote waarde, wat Polybius (2. 24) vertelt over de censuur van 225. Toen waren er n.l. gecenseerd 273000 volwassen burgers en daaronder 23000 inneis. Nu is het uitgesloten, dat dit equites equo publico waren, wier aantal nooit meer dan 1800 is geweest; eveneens is 't onmogelijk, dat vóór, of tijdens den 2den Punischen oorlog 23000 ruiters in de legioenen hebben gediend; 10 legioenen tellen nog maar 3000 ruiters; we hebben hier te doen met census-equites. Deze plaats brengt ons dus heel wat vooruit. Ze bewijst, dat men in 225 van equites sprak, zooals Livius het doet bij het jaar 403 en dat er wel geen sprake van kan zijn, dat de census equitum 400.000 HS bedroeg; want meer dan 12 van alle volwassenen kunnen onmogelijk zoo rijk zijn geweest. Dit heeft in een interessant statistisch betoog de Sanctis aangetoond (Storia dei Romani III. 2. 623–631). Zijn berekening, die ik hier niet kan herhalen, komt hierop neer, dat het nationaal vermogen der Romeinen in die dagen 786 à 792 millioen denarii bedroeg; het vermogen der equites berekend op 400.000 HS of 100.000 denarii zou dus het nationaal vermogen twee of driemaal overtreffen. De moeilijkheden zijn opgelost, als men den census equitum gelijk stelt met het aloude minimum der Serviaansche eerste vermogensklasse, n.l. 100.000 as of 10.000 denarii. Tot hetzelfde resultaat komt Rosenberg (1.1. 23—30); aan de hand van moderne statistieken becijfert hij, dat we de census-equites moeten zoeken onder de z.g. Vollbauern, d.w.z. onder de vermogens van 100.000 as; hij concludeert, dat de traditie gelijk heeft, die de centuriae equitum als een onderdeel der eerste klasse beschouwt. In hoofdzaak kan ik me met hun redeneering vereenigen, maar enkele overwegingen hebben zij in hun onderzoekingen niet opgenomen.

In het bovenstaande heb ik reeds gezegd, dat m. i. de equites equo publico uit de allerrijkste en alleraanzienlijkste jongelui werden gerecruteerd, al zal het wel eens zijn voorgekomen, dat minder rijke en minder aanzienlijke „Streber” door intriges trachtten binnen te dringen in een kring, waar zij kans hadden relaties aan te knoopen, die hun in hun verdere loopbaan van dienst konden zijn. Wanneer we nu bij Livius (3. 27. 1) aangeteekend vinden, dat in 458 tot magister equitum werd benoemd L. Tarquitius, een patriciër, die propter paupertatem infanterie-dienst had gedaan, dan behoeft men niet met Mommsen aan te nemen, dat naar Livius' meening Tarquitius den riddercensus niet bezat. De persoon is, wat zijn historische beteekenis betreft, voor ons waardeloos; maar het geval is niet zonder belang. Ik denk me de zaak zoo: L. Tarquitius voldeed wel degelijk aan het wettelijke vereischte; anders had de consul hem niet kunnen benoemen, maar hij hoorde tot de armere patriciërs en zag er tegen op om zich te begeven in een kring van menschen, wier levenswijze hem niet convenieerde. Dus ook wanneer

men het bestaan van een census aanneemt, gelijk ik doe, en wel van een niet hoogen, ook dan kan men het geval gemakkelijk verklaren en, me dunkt, later zou een censor schik hebben gehad in zoo'n jongen man en hem krachtens zijn „Machtvollkommenheit" gaarne een dergelijke excusatio paupertatis hebben verleend. Het strekte zijn onafhankelijk karakter tot eer, want de afgunst, die men tegen de VI suffragia, waar een Tarquitius eigenlijk bij hoorde, koesterde, was om hun aanzien en invloed zeer groot. Deze wordt het best geïllustreerd door de terugstelling, die hun deel werd bij de hervorming der comitia centuriata in de periode tusschen 240 en 220.

In Cicero's tijd (Phil. 2. 85) was de volgorde der stemmende centuriën aldus: de centuria praerogativa, de eerste klasse, de VI suffragia, de tweede klasse etc.; die eerste klasse" moeten we verstaan als kortheidshalve gebruikt voor: eerste klasse en de 12 centuriae equitum (Liv. 27. 6. 3; 43. 16). Als de centuria fabrum tignariorum meegerekend wordt, die hier ergens tusschenin stemde (Cic. de rep. 2. 39), had de eerste klasse in haar geheelen omvang 1 + 69 + 1 + 12 + 6 89 stemmen en was dus, zelfs als deze geheele stemmencomplex het eens was, ook de tweede klasse noodig om de meerderheid van 193 = 97 stemmen te behalen.

Ik moet hier een enkel woord zeggen over de beruchte plaats van Cicero d. 1. agr. 2. 4. Cicero vertelt daar nog eens hoe vlot zijn verkiezing van stapel liep, alle centuriën verkozen hem éénstemmig; het ging als bij acclamatie, heel anders dan bij zeker iemand, die met een enkele stem meerderheid werd gekozen. „Itaque me non extrema tribus suffragiorum sed primi illi vestri concursus, neque singulae voces praeconum sed una vox universi populi Romani consulem declaravit.” Tribus suffragiorum, „Bezirk der Stimmen”, noemt Rosenberg (1.1. p. 85) einen sehr harten Ausdruck en hij vindt het heel wat gemakkelijker de voortreffelijk passende coniectuur van Richter: diribitio suffragiorum op te nemen. Toch behoudt Rosenberg m.i. terecht de vulgata en expliceert die volgens een goede methode. Hij wijst op het enorme belang van het praerogatief stemrecht voor den uitslag der stemming (1.1. p. 65). Dit praerogatief stemrecht was vroeger het voorrecht der equites, maar zij hebben

[ocr errors]

het verloren; als altijd echter was de uitslag van de eerste klasse maassgebend voor de stemming van de geheele comitia. Daarover heeft Cicero het alleen. De primi illi concursus zijn de genoemde afdeelingen der eerste klasse, die una voce hem tot consul benoemde; zeer juist, maar nu verklaart Rosenberg de extrema tribus suffragiorum als de stem van de laatste centuria der eerste klasse; dit wordt dan aannemelijk gemaakt met een beroep op het karakter der centuria, die 12 tribus was; maar een centuria wordt nu eenmaal nooit tribus genoemd. Alles is in orde, als we aan de laatste stem der suffragia denken. Deze hadden immers de namen der oude tribus. Toen dus 70 centuriae van de eerste klasse, de centuria der tignarii, 12 centuriae der equites en 5 tribus der suffragia waren gerenuntieerd, stonden deze 88 stemmen 44-44; de extrema tribus suffragiorum, laten we zeggen: de tribus Lucerum posteriorum bracht de beslissing. Toen aldus de meerderheid der eerste klasse zich vóór den bewusten candidaat door Cicero bedoeld of verondersteld, had uitgesproken, was de zaak spoedig beslist.

Maar ook als mijn gissing geheel onjuist is, de hoofdzaak, waarop ik wilde wijzen, blijft: tot het vormen van een meerderheid, ook al heeft de eerste klasse als een echte phalanx der nobiles eensgezind vóór iemand gestemd, is de tweede klasse onontbeerlijk. Leerzaam is daarbij, dat daar geheel achteraan, maar toch gescheiden van het overig menschdom, de 6 stemmen der suffragia werden gerenuntieerd, die vroeger zeker onder de centuriae praerogativae den toon aangaven. De vermindering der eerste klasse van 80 op 70 centuriën en de achteruitstelling der equites equo publico is het in het oog vallende van de hervorming en als contrast daarmede het belangrijk optreden van de tweede klasse, en wel van de tweede klasse alleen; immers niet alleen uit het optellen der stemmen-aantallen, maar ook uit de aangehaalde woorden der 2e Philippica: „secunda classis vocatur ...... confecto negotio” blijkt, dat bij eensgezindheid der eerste klasse de tweede klasse de beslissing brengt. Reeds vroeger riep men, als men een oud man uit militair oogpunt een waardelooze - in een centuria seniorum zijn belangrijk stemrecht zag uitoefenen, half schertsend, half geërgerd: sexagenarium de ponte! Evenzoo zal in den eersten Punischen oorlog, den tijd, toen de groote legers in zwang kwamen, menig eques equo privato zich hebben geërgerd over het belangrijk stemrecht der equites equo publico, uit wier centuriën ze stelselmatig geweerd werden. Nu is de centuriënindeeling niet identisch met een legerorganisatie, ze berust slechts daarop maar alle uiterlijkheden herinnerden aan dat leger; is het nu vreemd, dat kort na dien voor de Romeinen zoo succesvollen oorlog, zij, die het werk hadden gedaan, ook wat van de eer wilden hebben? Een hervorming van politieke beteekenis vlak na een zegevierenden oorlog en aan den vooravond van een nieuwe worsteling, die ieder verwachtte, tot stand gekomen (tusschen 240 en 220) moet een met den krijgsdienst samenhangende beteekenis hebben; als die niet in de verheffing der tweede klasse verborgen ligt, dan wordt de militaire macht er alleen in gefnuikt, immers het eenige echt-militaire deel der comitia, de equites, verliest aan beteekenis evenals de geheele eerste klasse, die toch zoo'n belangrijk deel van het leger leverde.

De achteruitzetting derhalve van de aanzienlijke equites ten voordeele van de tweede klasse is voor mij het treffende in de hervorming, die aan deze eindelijk gaf, waarop ze gevoelde recht te hebben. De grieksche raráoraois, waarvan we het bedrag niet kennen, noch de Romeinsche aera equestre et hordiarium, noch het later ingevoerde stipendum triplex hadden kunnen verhinderen, dat in beide staten het staande ruitercorps naar de traditie der heldentijden uit de hoogste standen genomen bleef, totdat te Rome de behoefte aan een grooter aantal ruiters de personen, die in staat waren uitkomst te brengen, vanzelf naar den voorgrond bracht. Het aes equestre van 10.000 as of 1000 denarii was, als een dienstpaard 1000 libraal-as kostte, voldoende voor 2 x 2 dienstpaarden, zeker niet te veel als het voor den heelen diensttijd gold en een eques verplicht was twee paarden te hebben. Over het aes hordiarium van 200 denarii 's jaars zal ik maar geen oordeel zeggen. Het stipendium van den legionarius was 10 denarii per maand, dat van den eques dus 30 (Pol. 6. 39. 12), maar de equites equo publico genoten deze aera en stipendia niet tegelijkertijd, het eene kwam in mindering van het andere. Zeker kon de jeunesse dorée hier niet mee toe, wel een eenvoudig oorlogsruiter. Dezen nu stel ik me als lid der tweede klasse voor. Het is de verdienste van Rosenberg (1.1. p. 12 sq.) er op gewezen te hebben, dat het de bedoeling der klassenindeeling niet geweest kan zijn uit te maken welke soldaten deze, welke gene wapenen zouden dragen, maar dat die verschillen juist hun grond hadden in de tradities der verschillende klassen; zoo zoude ik in de voor een Romeinsch infanterist volkomen overtollige scheenplaten, die slechts door de eerste en de tweede klasse gedragen werden, het insigne willen zien der census-equites. In later tijd draagt geen enkele legionarius de scheenplaten, wèl echter de centurionen en de ruiters, die leeren scheenplaten droegen.

« PrécédentContinuer »