Images de page
PDF
ePub

dringen der Chabiri in Palestina gewag gemaakt wordt, en de regeering van Merneptah (1225-1215) die onder de stammen die hij overwonnen had ook Israël in Kanaän opnoemt;,,historisch denkbar ist er durchaus", verklaart hij lakoniek. Intusschen laten de schrale gegevens tal van andere mogelijkheden open, onder meer deze dat slechts een deel van de dusgenaamde stammen in Egypte zou hebben vertoefd, een ander nooit Kanaän heeft verlaten (zoo Kittel, Geschichte des Volkes Israel 13. p. 531 vlg.), terwijl het alleszins begrijpelijk is, dat men het gansche verhaal van Israels verblijf in Egypte slechts onder sterk voorbehoud aanvaardt, zoolang wij daaromtrent geen enkel gegeven bezitten buiten het Oude Testament; immers hierin bezitten wij slechts meedeelingen die eerst bijna vier eeuwen na de gebeurtenissen die zij verhalen zijn opgeteekend: het voorbeeld der Romeinsche overlevering moet hier wel tot voorzichtigheid manen 1).

Eenigszins anders staat het met een antwoord op de vraag naar de historiciteit van Mozes; de overeenkomst is, dat ook hier uitwendige bewijzen die afdoende zouden zijn niet zijn aan te voeren. Klauber beroept zich echter op de, vaak in deze materie in geding gebrachte, ,,Erwägung allgemeiner Art, dass nämlich religiöse Bewegungen, wie es die mosaische unzweifelhaft war, nicht von der Masse ausgehen, sondern immer von grossen religiös veranlagten Persönlichkeiten angefacht werden (Zoroaster, Mohammed, Buddha) (p. 81). Het sterkst is dit argument indertijd uitgedrukt door den Groningschen hoogleeraar Böhl (Kananäer und Hebräer p. 100),,wäre uns von Moses auch gar nichts überliefert, so würde Israëls Geschichte doch solch einen Mann postulieren. Wer die Person des Religionsstifters aus einer geschichtlichen Religion streicht, verschliesst sich den Weg zu ihrem Verständnis." Menig historicus zal deze verzekerde uitspraak voor rekening van den theoloog laten; maar vooral, hij zal aan de gansche vraag minder gewicht hechten dan deze, wanneer het toch niet mogelijk is,,im einzelnen festzustellen, was in der Ueberlieferung über Moses (en ten aanzien van Jezus geldt hetzelfde) als

1) Tegenover Ed. Meyer (Die Israeliten, p. 50) die de geloofwaardigheid van Israels verblijf in Egypte ontkent, voert Gressmann (Mose und seine Zeit, p. 405) o. m. aan : "Welchen Grund hatten die Israeliten sichselbst oder ihren Vorfahren die Schande einer Knechtschaft in Ägypten zuzuschreiben wenn dieser nicht historisch war?" Ik laat de vraag in het midden waarom deze knechtschap als een schande moet worden beschouwd, maar merk slechts op dat wie aan deze redeneering de kracht van een argument toekent ook met Livius moet aannemen dat het Romeinsche volk gedeeltelijk van weggeloopen slaven en uitgeweken misdadigers afstamt.

gesicherte Tatsache anzunehmen" (Klauber). Maar al te zeer verspreid is het misverstand dat het begrip historische realiteit gebonden is aan een mensch van vleesch en been; de sterke overtuiging, het innige geloof dat een figuur bestaan heeft en zóó heeft geleefd en dít geleerd, is een werkelijkheid even reëel als iemands lijfelijk bestaan; voor de historische werking is dit laatste van geheel ondergeschikte waarde. Om een voorbeeld te nemen buiten de hitte van den godsdienststrijd: wat doet het er toe of Horatius Cocles of Coriolianus in levende lijve door Rome's straten geloopen hebben; het geloof aan hun daden en woorden heeft duizenden Romeinen en lateren tot navolging geprikkeld en is daardoor een geweldige historische realiteit geweest, waarnaast de vraag naar de ,,Geschichtlichkeit der Person" nagenoeg zonder beteekenis wordt 1).

Met deze opmerkingen die ten deele buiten het gesproken geschrift om gaan, wordt aan de waarde daarvan niets afgedaan: ik acht het niet waarschijnlijk dat men in de kleine honderd bladzijden waarover Klauber te beschikken had meer wetenswaardigs over de geschiedenis der Oostersche volken kan samendringen, wanneer men niet de voorkeur geeft aan enkele beschouwingen van meer algemeene strekking.

Zoolang de geschiedschrijving van de menschheid onder den ban stond der Joodsch-Christelijke overlevering, placht zij haar aanvang te nemen met de beschrijving der toestanden, die den gedeeltelijken inhoud uitmaakte van de oude Hebreeuwsche legenden omtrent de schepping van de wereld; de moderne historiografie begint terecht met hetzij de Babyloniërs, hetzij de Egyptenaren - over de prioriteit van een van deze is men nog niet tot overeenstemming gekomen waaromtrent ons betrouwbare, zij het fragmentarische, gegevens ten dienste staan uit den tijd vóór 3000 v. Chr., en vergeleken bij welke de Israëlieten zoowel als de Grieken jonge volken zijn. Staat het dus eenerzijds vast dat wij van de eerst genoemde volken kennis bezitten uit een veel ouderen tijd, anderzijds leeren wij de Israëlieten en Grieken, wanneer die binnen het lichtschijnsel van de geschiedenis

1) Zeer begrijpelijk is de afkeer dien Goethe in zich voelde tegen de nuchtere kritiek van die dagen, en waaraan wij zijn geestige boutade danken die Eckermann heeft opgeteekend (in het gesprek van den 15den Oct. 1825): „Bisher glaubte die Welt an den Heldensinn einer Lucretia, eines Mucius Scävola, und liess sich dadurch erwärmen und begeistern. Jetzt aber kommt die historische Kritik und sagt, dass jene Personen nie gelebt haben, sondern als Fiktionen und Fabeln anzusehn sind, die der grosse Sinn der Römer erdichtete. Was sollen wir aber mit einer so ärmlichen Wahrheit? Und wenn die Römer gross genug waren, so etwas zu erdichten, so sollten wir wenigstens gross genug sein, daran zu glauben."

treden, op een veel vroegeren trap van beschaving kennen; de oudste toestanden die wij bij hen kunnen waarnemen, zijn primitiever dan de vroegst bekende en chronologisch veel oudere van de Babyloniërs en Egyptenaren 1). Om één voorbeeld te noemen: in Israël en Griekenland treffen wij nog in den aanvang van hun geschiedenis de bloedwraak, terwijl wij in de groote rijken aan den Euphraat en den Nijl uitsluitend de volledig ontwikkelde rechtspraak door den staat kennen. Daardoor heeft de oudste geschiedenis van bv. Griekenland een bizondere aantrekkelijkheid en beteekenis voor degenen die belangstellen in vragen als deze: wat zijn de verschillende organisatie-vormen geweest der oudste verwantschapsgroepen? is het mogelijk daarvan den ,,staat" te onderscheiden, zijn wezen door het karakter van zijn gezag en den aard van zijn functies te bepalen? waardoor zijn de steden ontstaan? kan men de veranderingen in den bezitsvorm in oorzakelijken samenhang brengen?

.

Een bevredigend antwoord op deze en dergelijke vragen kan men van niemand verwachten; maar men mag vergen dat de geschiedschrijver van de Grieken en de Romeinen ze onder de oogen ziet. Dat zoowel Ciccotti als Hartmann ieder voor zijn deel dit gedaan hebben is het eerste dat ik met groote ingenomenheid vaststel. Maar vooral te prijzen is bovendien de methode die zij bij de behandeling van zoo uiterst moeilijke onderwerpen als de oudste Grieksche en Romeinsche geschiedenis hebben gevolgd, en die voor geschriften als deze, voor niet-vakgenooten bestemd, voorbeeldig mag heeten. Zij stellen nadrukkelijk voorop dat de aard en het aantal der gegevens zoowel als de stand van het onderzoek alle zekerheid volkomen uitsluit, wijzen er in den loop van hun voorstelling der feiten herhaaldelijk op dat omtrent de meeste onderdeelen nog geen overeenstemming van inzicht is bereikt, en ook de elementen van hun constructie hypothetisch zijn, maar ontwerpen intusschen een beeld voor den lezer, zoodat het niet aan diens ongeoefende oogen overgelaten wordt

1) De, overigens voor de hand liggende, onderscheiding tusschen tijd en ontwikkelingstrap moet ook ten aanzien van de verschillende deelen van één land niet uit het oog verloren worden. Zoo staat het vast dat Hesiodus geleefd heeft na Homerus, zonder wiens voorbeeld hij niet denkbaar is; maar de maatschappij, die de Boeotische boerendichter beschrijft is heel wat primitiever dan de wereld die wij uit het KleinAziatische epos leeren kennen. Niettemin heeft indertijd Kuhn in zijn werk „Ueber die Entstehung der Staedte der Alten" (p 13) uit het feit dat de Homerische poëzie alleen het bestaan van steden kent, terwil het woord van dorp eerst bij Hesiodus voorkomt, volgens de methode in de philologie niet ongebruikelijk, besloten.... dat in Griekenland de steden eerder ontstaan zijn dan de dorpen, welk merkwaardig verschijnsel hij nader bewezen acht door een anticke etymologie van het woord voor dorp.

de brokken puin tot een geheel samen te voegen. Zoo wordt een dubbel voordeel bereikt: de behoefte aan het zoeken naar verklaring wordt geprikkeld of bevredigd, zoodat de lezer niet afgescheept wordt met een min of meer geordende meedeeling van feiten en verschijnselen; en tevens worden hem de onzekerheid en gedeeltelijk ook de leemten in onze kennis en begrip voortdurend (,,es könnte sein......" „vielleicht", „das vorläufige Ergebnis wäre......") voor oogen gehouden; met de onverkwikkelijke gewoonte van vooral Duitsche geleerden om iedere meening in den toon van de stelligste verzekerdheid voor te dragen is hier ten eenenmale gebroken.

Naast belangrijke punten van overeenkomst, in 't bizonder het streven om de groote lijnen van ontwikkeling vast te houden, vertoonen de bewerkers der Grieksche en Romeinsche geschiedenis natuurlijk ook alle hun onderscheiden aard of studie-belangstelling in de behandeling van hun onderwerpen. Wat aanstonds in het werk van Ciccotti opvalt is de groote nadruk die gelegd wordt op de beteekenis van de geografische factoren in de geschiedenis der Grieksche staten blijkens de vaak uitvoerige en nauwkeurige beschrijving der verschillende landschappen (Kreta p. 4–6, Argolis p. 15-17, Eubaea p. 44, Lacedaemonië p. 58, Messenië p. 64, Attika p. 68–70, Macedonië p. 189-190), waarbij herhaaldelijk (p. 5, 23, 32) tot verklaring van den loop van den handel geopereerd wordt met de overigens nergens genoemde ,,loi des isthmes" van Bérard.

Een bizondere verdienste van den Italiaanschen medewerker is verder diens levendige en lenige stijl, die door een sterk persoonlijk gevoel voor de schoonheid in de Grieksche beschaving wordt gestuwd1). Laat mij bij uitzondering, omdat hier één staal duidelijker spreekt dan iedere poging tot karakteristiek, een bladzijde waarin ook andere eigenschappen van dezen historicus tot uiting komen aanhalen, een gedeelte van zijn beschrijving der Atheensche kunst uit de Ve eenw. Bescheiden, zooals bij dit onderwerp past, wordt zij ingeleid: ,,Es wäre ein allzu kühnes und schwieriges Unterfangen, wollte man die Ursachen einer so urwüchsigen Erscheinung, wie der Kunst, festzustellen versuchen. Ohne sich aber die Aufdeckung der Ursachen im einzelnen anzumassen, kann man sagen, dass sie ihre Erklärung im Milieu und in der künstlerischen Vorgeschichte findet." Dan begint een karakteristiek waaraan het volgende is ontleend (p. 130 vlg):

1) De vertaler heeft hier, indien het een vreemdeling geoorloofd is een oordeel uit te spreken, een knap stuk werk geleverd; het woord „völkisch" op p. 38 schijnt daar niet gelukkig gebruikt.

,,Die nachfolgende Menschheit hat sich beständig die griechische Kunst vor Augen gehalten, um sie nachzuahmen oder sich von ihr zu unterscheiden, wobei sie oft Gegenstände darstellte, die ihrem eigenen Leben fernlagen. Die griechische Kunst sah auf ihrem Höhepunkt nichts vor sich als die Natur, das Leben, das ihr kein Schleier, nicht einmal der Tradition, verhüllte. Aus dem, was ihre Wurzeln gewesen waren, schuf sie sich eine Kraft, nicht ein Hemmnis, wie der Baum, der, ohne sich von der Wurzel zu lösen, Stamm und Zweige aufwärts sendet, dem Lichte entgegen. Die alte Mythologie mit ihrem kindlichen Fabelgespinst und ihrer Vermenschlichung der Natur bot einen Ueberreichtum an Vorwürfen und Formen, die den Künstler mit dem Volke in Berührung erhielten und vielfach durch die Kunst neubeseelt wurden. Die alte, von der Volksphantasie ausgeschmückte Religion war wie der Schlüssel des nationalen Bewusstseins, und war, wie dieses, in beständiger Entwicklung: von der Kunst belebt, die ihr den Ausdruck der Schönheit geben wollte, wurde sie selbst zu einer Religion der Schönheit. Da man in der menschlichen Gestalt oft die Gottheit darstellte, musste man sie, auch im Zustande der Leidenschaft, verklären und idealisieren und aus innerer Notwendigkeit ihr den höchsten Ausdruck der Kraft Würde und Schönheit verleihen. Die menschliche Gestalt erschien so in der Darstellung an Leidenschaft, Umwelt und Wirklichkeit gebunden, überwand sie aber in ihrem geistigen Gehalt. Die griechische Kunst erfasste das Leben nicht in seinen flüchtigen Episoden, sondern in seiner tiefsten Wahrheit, nicht in seinen Zuckungen, sondern in gefasster Ruhe, im beherrschten Kraftaufwande und in harmonischem Gleichgewicht.

Wenn man auch die materiellen Verhältnisse in Betracht zieht, so leuchtet ein, dass sich heute die Lebensenergie auf eine grössere Anzahl verschiedener Punkte verteilt. Im griechischen Leben war die Zahl der Interessen geringer, so dass der Kraftaufwand sich dem Einzelnen mit grösserer Schärfe und grösserem Erfolg zuwenden konnte. Heute werden die wirtschaftlichen Energien der Gesellschaft zum grössten Teil durch Anwendung von Wissenschaft und Kunst im Dienste der vermehrten Lebensbedürfnisse verbraucht, wie in der Ueberwindung der Entfernungen in der erweiterten Kulturwelt und durch die Vorbereitung von Mitteln zur Verteidigung und zum Angriff, wie sie die politische Lage zu fordern scheint. Obwohl die Produktivkräfte heute bedeutend grösser sind, geht viel mehr Energie und Aufmerksamkeit verloren als in einer Zeit, in der die Aufgabe des Staates und der Gesellschaft grossenteils im Leben der Kunst zum Ausdruck kam und diese durchdrang.

« PrécédentContinuer »