Images de page
PDF
ePub

JOHANNA CORNELIA WATTIER

DOOR

DR. TA. JA. GEEST.

In zijn „Historische beschrijving der stad Amsterdam” (1663) zegt Dapper, sprekende over de inrichting van den schouwburg: „Ex zijn voornamelijk twee kameren, in d'eene worden de kleederen bewaert, daer in de manspersonen en in d'andere daer in de vrouwen of manspersonen in schijn van vrouwen op 't tooneel verschijnen. In ieder kamer is ook een bijzonder persoon gestelt; want d'eene is alleen bezig om de manspersonen in 't mannengewaet en d'ander om de vrouwen of manspersonen in vrouwengewaet te kleeden." In het jaar 1663 had men dus nog niet geheel gebroken met de traditie om vrouwenrollen door mannen te laten vervullen, wat in de Middeleeuwen en bij de Rederijkers niet alleen regel maar zede was, waar men dus maar zelden van afweek.

Op ons modern tooneel zou 't vreemd aandoen er alleen mannen te weten en te hooren. De tegenwoordige tooneelspeelkunst eischt op 't tooneel de man en de vrouw; de schrijvers geven individuen, hun botsingen en beroeringen, ze geven karakters en karakterontleding. Hoe zou men zich de stukken van Shaw of Ibsen of Strindberg kunnen denken alleen door mannen gespeeld!

De meeste middeleeuwsche stukken echter en die der Rederijkers, mysteries, mirakelen, zinnespelen hadden dien eisch niet. Met de Renaissance, die meer het individueele vraagt, 't menschelijke, 't natuurlijke, komt er verandering: dan komen de beroeps-acteurs en dan komt. de vrouw op het tooneel. Het tooneelspelen wordt beeldende kunst en 't wordt een vak, een middel van bestaan.

Toen Amsterdam in 1638 zijn schouwburg kreeg, kwamen voorgoed de beroepsacteurs. Zij werden door de regenten van den schouwburg per avond betaald en hadden er meestal nog een ander beroep bij. Of er toen al actrices waren, weet men niet. Wijbrands, de schrijver over het Amsterdamsch tooneel 1), heeft, de rekeningen van den schouwburg doorsnuffelend, voor 't eerst in 1655 den naam van een

1) C. N. Wijbrands. Het Amsterdamsch tooneel van 1617 tot 1772.

actrice vermeld gevonden en kort daarna nog twee namen van vrouwen. In 't midden van de zeventiende eeuw is de vrouw dus haar rol gaan spelen in den Amsterdamschen schouwburg en sedert dien zijn er een groot aantal beroemde actrices geweest.

De actrices kwamen uit de kringen van de beroepsacteurs; 't waren hun zusters, vrouwen, dochters. De tooneelisten gingen een afzonderlijken stand vormen, voortgekomen uit de kleine burgerij, maar voortaan levend buiten den cirkel van fatsoen, want dogma en conventie veroordeelden het tooneel en verachtten de tooneelisten.

De Renaissance, die toch de uitleving van de persoonlijkheid wilde, was daar niet tegen opgewassen. Eerst de achttiende eeuw, kind van de Renaissance, ontworstelt zich; de ontwaakte „rede” peinst en vraagt: „Waarom is het tooneel geminacht, waarom zijn tooneelspelers veracht?” In vele tijdschriften en spectatoriale geschriften worden het tooneel, de stukken, de spelers besproken en beoordeeld. De schrijvers nemen den stand der spelers in bescherming. Hun redeneering was, dat het tooneel een leerschool is voor het leven, een middel tot deugd-en goede zedenbetrachting, een oefenschool van nutte deugden. Zij kwamen nog niet tot de erkenning, dat tooneelspelen kunst is en ze zagen ook niet in, dat ze met hun uitspraken de tegenstanders niet volkomen verslaan konden, want evengoed konden dezen zeggen en dat deden ze ook dat 't tooneel een oefenschool van ondeugden is.

De eerste, die geregeld het tooneel beoordeelde en waardeerde en verdedigde tegen de kerk, is Justus van Effen. ,,Het is dwaas”, zegt hij in zijn 27e vertoog, „uit godsdienstig oogmerk 't tooneel te veroordeelen, omdat daarin vermaak 't eerste doelwit is en Gods eer en 't heil der zielen daarin niet onmiddellijk beoogd worden. Voert men die stelling door, dan zou de gansche burgerlijke samenleving omver gestooten worden. Om den schouwburg nuttig te doen zijn, zijn noodig: 1e een genoegzaam getal tooneelstukken in welke, bij uitsluiting van alle ergerlijke ongebondenheid een goede zedenkunde door een geestrijke aardigheid wordt opgepronkten smakelijk gemaakt; 2e. bekwaamheid van vertooners.”

Van Effen moet bekennen, dat die twee vereischte zaken schaarsch zijn.

Om een goed tooneelspeler te zijn, gaat hij voort in zijn 28e vertoog, zijn noodig: een fraaie gestalte, voornaam optreden, te verkrijgen door de danskunst te beoefenen, behoorlijk spreken, geest en oordeel. „Acteurs moeten ervaren zijn in de hartkunde, moeten driften en gemoedsbewegingen onderscheiden, kortom zij moeten in

de ziel van hun rol indringen”. Zij moeten onbekrompen kunnen leven en ,,'t haatelijke en 't schandelijke, 't welk vooroordeel en niet rede aan die kunst gehecht heeft”, moet verdwijnen, dan zouden we de schouwburgen verrijkt zien met „verstandige, geestrijke, gestudeerde luyden en teffens van goede zeden en van onbesproken leven.” Daarom moeten menschen van aanzien, liefst huisvaders, gemeenzaam met acteurs omgaan.

Heel gauw was de wereld 't met van Effen niet eens, want de klacht van te weinig waardeering werd nog herhaaldelijk geuit en in 1791 roept de schrijver van ,,De tooneelspeler en zijn aanschouwer kunstmaatig beschouwd” uit: „Zullen wij nog lang slaven van een dwaas vooroordeel zijn met betrekking tot deze menschen?”

Toch wordt in de tweede helft van de achttiende eeuw, de belangstelling en waardeering voor het tooneel grooter en enkele uitnemende spelers hebben er veel toe bijgedragen achting voor het tooneelspelen in te boezemen, zooals Jan Punt en Maarten Corver. Corver, de geestige schrijver van de ,,Tooneelaanteekeningen”, werd de hervormer van het tooneel. Hij bracht 't tooneelspel met natuur en, rede in overeenstemming. Hij leerde van de Fransche schouwburgen en zag in Parijs 't eerst de verbeterde costumes, de costumes in ideëele overeenstemming met de stukken.

Niemand echter heeft grooter roem, grooter populariteit, grooter vereering gehad dan de actrice Johanna Cornelia Wattier. Tot op onzen tijd is geen actrice zoo gevierd. Van vorsten kreeg ze jaargelden, van deftige professoren lofredenen, van dichters zegezangen. Van Punt is bekend, dat hij met verscheiden gegoede families omging en vriendschappelijk verkeerde. Wattier trouwde met den Amsterdamschen architect Ziesenis en trad dus ook uit haar engen tooneelspelerskring.

Zij was uit een artistenfamilie 1). Haar zuster werd actrice en trouwde met den bekenden acteur en theaterdirecteur Ward Bingley. Deze was uit een Engelsch koopmansgeslacht, gevestigd te Rotterdam. Hij kwam uit andere kringen dan de meeste acteurs en had een goede opvoeding gehad. In 1775 kwam hij, 18 jaar oud, aan 't Rotterdamsche tooneel. Johanna Cornelia heeft later veel met haar zwager samen gespeeld en zijn dochter werd haar leerling.

1) Biographische bijzonderheden bij: P. Haverkorn van Rijswijk, De oude Rotterdamsche schouwburg. J. Hilman, Ons tooneel. Dr. Wap, Een Nederlandsche tooneel

Speelster.

Haar vader, Jean Baptiste Wattier, was dansmeester. Haar moeder heette Anna Cornelia de Bourghelles de la Vacquerie, haar familie behoorde tot den winkelstand in Rotterdam. Beide namen wijzen op Fransche afkomst en Jean Baptiste wordt door sommige schrijvers een Franschman genoemd. Die afkomst zal niet vreemd geweest zijn aan de elegantie en gratie van de beroemde dochter. Haar Fransch voorgeslacht leefde in haar voort.

De Wattiers woonden eerst in den Haag, later in Rotterdam. Ze waren Katholiek. Ze hadden vijf kinderen; drie jongens en twee meisjes. In Rotterdam is de jongste dochter, Johanna Cornelia, geboren op 13 April 1762. De inkomsten van het gezin waren niet overdadig, daarom moesten de kinderen al jong mee verdienen. Johanna Cornelia leerde alleen wat lezen en schrijven. Door haar voorkomen en manieren onderscheidde zij zich van een burgermanskind. Zoo ried men den ouders aan haar naar 't tooneel te laten gaan. Zij kwam bij een liefhebberijtooneelgezelschap in den Doelen, toen zij 13 jaar was. Toneelscholen waren er niet, de jongeren kregen les van ouderen en leerden bij een balletmeester dansen, losheid en goede houding krijgen. De meesten begonnen heel jong de tooneelloopbaan, zonder algemeene schoolontwikkeling. Johanna Cornelia behoorde tot die bevoorrechten, die dat missen konden, zij had de aangeboren gave voor het tooneel en heeft aldoende geleerd en zich ontwikkeld. In 1777 werd een plaats voor haar gevraagd aan het Rotterdamsche tooneel. Zij maakte een gunstigen indruk en toonde een ongemeenen aanleg.

De commissarissen besloten haar te engageeren „dewijl van dit meisje, dat eenige jaren in de Liefhebberij, die alhier in de stadsdoelen gehouden is, waarbij zij gespeeld heeft, blijken van natuurlijke bekwaamheden gegeven heeft, zeer goede verwachting is, zulks voor ons tooneel zeer voordeelig zoude kunnen zijn.” Ze was toen 15 jaar en begon met f 400 salaris. Ter wille van haar werden ook twee broers aangenomen, omdat dit door de ouders bedongen werd („dewijl de dochter niet was te engageeren zonder dezen"). De beide zoons hadden geen aanleg. Aan 't eind van 't speeljaar berichtten de commissarissen aan Wattier en zijn vrouw, dat hun zoons geen vorderingen maakten en 't hun niet te raden was met 't employ van acteur voort te gaan. Op verzoek van de ouders bleven ze echter, de een met f 200, de andere met f 180 salaris. Dit duurde tot 1780, Verder is van beiden niets bekend.

Johanna Cornelia kwam nu onder leiding van Corver, die juist de directie had gekregen. Moeilijk was de strijd om 't bestaan voor de

van

kunstenaars aan het tooneel, die als kunstenaars zoo weinig gewaardeerd en als mensch zoo weinig geëerd werden. Een hard, zwaar werkleven en in 't verschiet dikwijls miskenning en armoede.

Toen in 1772 de Amsterdamsche schouwburg was afgebrand, konden de acteurs een contract teekenen, dat ze zich niet ergens anders zouden engageeren, maar later in Amsterdam weer optreden, dan kregen ze hun halve salaris uitbetaald. De bekende acteur Jan Punt teekende niet en ging naar Rotterdam; daar kreeg hij de directie van den Rotterdamschen schouwburg, een particuliere onderneming. Maar de zaken gingen niet goed, er kwamen weinig menschen, de salarissen moesten verminderd worden. Men weet 't aan Punt. Er kwam een andere strooming met Corver, die in 1744 aan den schouwburg werd verbonden. Corver en Punt hadden beiden een partij; die van de laatste slonk echter.

Corver kreeg in 1776 het beheer en nam jonge menschen aan, die hij kon vormen. Punt bleef nog een jaar en werd toen „afgedankt”, 't heette om te bezuinigen: „in aanmerking genomen de zware lasten

den schouwburg en de weinig of geen dienst die het Tooneel heeft van den acteur Jan Punt, wiens gemis in 't minst geen schade teweeg brengt niet alleen, maar daarenboven zijn tractement word uitgehaald en de Casteleinij ') alsdan den schouwburg ten bate komen zal, den genoemden Jan Punt niet weder zal worden geëngageerd”. Dit was een slag voor Punt, hij ging naar Amsterdam met wrok in 't hart tegen Corver; ook daar werd hij niet geëngageerd. Hij stierf twee jaar later.

Even voor zijn vertrek uit Rotterdam schreef hij aan een der regenten van den Amsterdamschen schouwburg: „Zaterdag heb ik Cortes voor een zeer aanzienlijke vergadering gespeeld: en een yder moet getuygen dat ik mijn geheele leeftijd nooit iets fraayer nog kragtiger heb uitgevoerd: zodat ik door Gods goedheyd, tot nog toe mijne vermogens nog in alle deelen blijff behouden. De Bruin is bedankt en de anderen zullen wel haast volgen dog zijn dogter heeft f 300 meer gekregen, onder beding om haar vader daarvoor te onderhouden. Men werkt hier om de Liefhebberije genaamd de Doelisten alhier op ons Tooneel te brengen en dan de Amsterdammers den een na den ander hun paspoort te geeven ziehier de Rotterdamsche dankbaarheid: deezen avondt zal een dier actrices Ifigenia in Aulis speelen: het is de dansmeester Wattjé zijn dochter – een berugte Famielje.”...... )

1) Punt was n.1. kastelein van den schouwburg. 2) Haverkorn, a. w.

« PrécédentContinuer »