Images de page
PDF
ePub

't Was de gewoonte in dien tijd om jonge tooneelisten onmiddellijk hoofdrollen te laten vervullen om hun bekwaamheden te toetsen. Volgens Punts brief was dus de Ifigenia Wattiers debuut.

Zij had een uitnemend leermeester aan Corver en zij heeft hem later altijd dankbaar herdacht.

Corver, de hervormer van het tooneel, voerde repetities in, bracht de natuurlijke spreektoon in eere en verbeterde de costumes. Hij had groote geestkracht en werkkracht en liet ook zijn menschen hard werken.

Edoch, er is niets nieuws onder de zon! Ook Corver kreeg ruzie. Eén van de commissarissen had veel op met een jonge actrice en rok haar partij bij een ruzie over een rolverdeeling. Corver verdween van het Rotterdamsche tooneel en de actrice, mejuffrouw de Bruin, kreeg 't bestuur in 1779. Wattier heeft niet lang meer onder haar gespeeld, want in 1780 ging ze naar Amsterdam. 8 Maart 1780 keurden burgemeesters van Amsterdam goed, dat J. C. Wattier „die men zeer benoodigd is”, werd aangenomen op f 600 's jaars ').

Met 't nieuwe speeljaar begon zij haar taak: Zaterdag 30 September 1780 trad zij op in Aleid van Poelgeest, treurspel van W. Haverkorn, in de rol van Margaretha. Dit stuk is vol achttiende-eeuwsche rhetoriek met wat sentimenteele kruiderij. De eenige figuuur, die levend is te maken door een goede actrice, vooral met wat jeugdig pathos, waarover de achttienjarige Wattier wel zal beschikt hebben, is Margaretha, de vrouw van Willem, hertog Albrechts zoon.

Het verhaal luidt aldus: Albrecht staat onder invloed van Aleid van Poelgeest aan den kant der Kabeljauwschen; zijn zoon Willem is Hoeksch. De Hoekschen beramen een samenzwering tegen Albrecht en Aleid. Willem wordt door zijn vader van medeplichtigheid beschuldigd en gevangen genomen. Willems gemalin, Margaretha, pleit voor haar man bij haar schoonvader; deze, verteederd, zegt, dat Willem, als hij genade vraagt, vrij zal zijn. Willem wil dit niet,

, hij ontvlucht met hulp van de Hoekschen. Er heeft een gevecht plaats tusschen Hoekschen en Kabeljauwschen. Men waant Willem gesneuveld. Aleid wordt zwaar gewond op het tooneel gedragen en bekent aan Albrecht, dat zij Willem heeft zwart gemaakt, dat hij onschuldig is, maar dat zij hem treffen wou. Willem komt op en Margaretha valt hem in de armen. Aleid sterft. Vader en zoon verzoenen zich.

1) Bij den laatsten brand is er weinig gespaard van 't archief van den schouwburg en dat weinige nog beschadigd. Vrij goed bewaard is een bundel rekeningen van ontvangst en uitgaven betr. den schouwburg van 1774-1798. Daarin staat J. C. Wattier in 1780 voor f 600; 1781 f 700; 1782 f 800; 1783 ontbreekt ze; 1784 f 1100; dan f 1500 f 1700; f 1800; § 2200; f 2500 en in 1796 f 3000. Amst. Arch.

In het derde bedrijf komt Margaretha op met Aleid. Margaretha spreekt fier:

„Hoe! vreest gij niet, Mevrouw, vorst Aalbrecht te mishaagen,
En durft gij onbeschaamd mijn echtegenoot belaagen?”
Zult gij vorst Willems rang noch waardigheid ontzien,
Daar hij na 's vaders dood als Graaf hier moet gebiên?”

Daarna hartstochtelijk, als Aleid haar dreigt dat Willem in zijn verderf loopt:

„O Hemel! gij belaagt het leven van dien Vorst?
Ik beef voor mijn gemaal! ontmenschte! ^) hoe, gij dorst
Naar 't bloed van hem, voor wiens behoud dat gij moest waaken?
Gij durft, zelfs zonder schrik, aan mij dit kenbaar maken!"
Smeekend tegenover Albrecht begint ze 't vierde bedrijf:
„Neen, ik verlaat U niet, mijn vader, hoor, mijn smeeken!
Hoe zoudt ge op mijn' Gemaal u, in uw gramschap wreeken?
Vergeet gij al die liefde en zorg die gij weleer
Voor zijne heldendeugd gevoeld hebt? ach, Mijnheer,
Zult ge op mijn beê mij niet genadig weezen!
Hoor, hoor mijn smeeken aan; laat mij niet langer vreezen!”

De strijd heeft plaats tusschen 't vierde en vijfde bedrijf. Ook dit bedrijf wordt geopend door Margaretha met een alleenspraak:

„O Heerschzucht? woeste drift! zult ge altoos zegepralen?
Hoe duur laat zich uw woên met burgerbloed betalen.
Mijn echtgenoot door haat en wanhoop aangespoord,
Bestrijd een vader die niets aêmt dan wraak en moord!
Hoe ijslijk zal het eind van dezen twist niet weezen?
Wie ook verwinnaar keer', 'k moet beider onheil vreezen.
O Hemel! welk een smart, die mij van angst verteert!”

In deze rol hoorden de Amsterdammers haar dus voor 't eerst. 't Was 't begin van een glorierijke tooneelloopbaan. Nu begon voor haar een leven van denken, doen en triomfeeren. Vijfendertig jaar diende zij bijna onafgebroken de kunst en de beschaving. Binnen een paar jaar was zij de eerste actrice, zij vervulde de hoofdrollen, hield het treurspel op het repertoire en diende en steunde haar volk in tijden van druk en overheersching door haar bezielend optreden in de vaderlandsche tooneelstukken.

1) Dit woord komt vier maal in 't werk voor en heb ik ook bij anderen gevonden.

Moeilijke tijden maakte de nieuwe schouwburg, het houten gebouw op het Leidsche Plein"), door. Behalve de invloed van de politieke gebeurtenissen, de patriottische beroeringen, de worsteling tusschen verleden en toekomst, was er de eigen strijd. Tweedracht heerschte er, waardoor het treurspel dreigde te verdwijnen van het repertoire. Er waren twee pro en contra's: Punt contra Corver en zangspel contra treurspel. Bovendien kibbelden de tooneelisten onderling, weigerden soms hun rollen of waren er niet ernstig bij, maar maakten lawaai achter de coulissen met petits-maîtres. De schouwburg werd heftig becritiseerd, 't aantal tooneelbeoordeelaars werd steeds grooter. Ieder koos onmiddellijk partij, hetzij voor de oude richting, die van Duim (+ 1782) en Punt (+ 1779) of voor de nieuwe van Corver en zijn leerling Passé, die in Amsterdam acteur was, en brak zijn tegenstander af. De vijanden van Corver noemden hem den bederver van den verheven treurspelstijl en verweten hem ten onrechte 't verval van 't treurspel. Nog meer rumor in casa bracht het tweede twistpunt. De verfransching der zeden nam steeds toe. Indien 't de

t innige behoefte was aan Frankrijks beschaving, zoo 't noodig was voor den geestesgroei van het volk, van Frankrijk over te nemen, dan zou er niets tegen zijn en dan zou 't tijdens de inlijving nog sterker zijn geworden, maar 't was vaak onnut nadoen, 't was modezucht, 't was een uiterlijk vernis en raakte 't innerlijke weinig en de inlijving heeft er

van verlost; toen werden we onszelf weer. Waar werkelijk bewust met 't buitenland contact werd gehouden, daar was het Engelsche en het Duitsche geestesleven meer verwant dan het Fransche, maar de mode, de weelde, 't oppervlakkige vermaak kwamen uit Frankrijk; Frankrijk's geest bleef er buiten.

Zoo kwam die invloed ook op het tooneel, waar „men” voor alles vermaak zocht. „Men” wilde tot elken prijs -- ook letterlijk, want 't bleek heel kostbaar te zijn op het tooneel de nieuwe Fransche opera's of zangspelen, zooals men toen O wonder

nog met een Hollandsch woord zei, en balletten of dansspelen. Zangspelen waren al vroeger, op 't eind van de zeventiende eeuw, hier bekend geworden. door Italianen en Franschen, maar werden vertoond onafhankelijk van den schouwburg door andere gezelschappen. Nu bracht men het zangspel in den schouwburg en verdrong er het tooneelspel mee. De regenten gaven toe, zooveel de gelden 't gedoogden, maar de liefhebbers van het treurspel en de acteurs waren in wanhoop;'t ging

ons

1) Zie voor de inrichting van den schouwburg, de spelers enz. vooral Worp-Sterck, Geschiedenis van den Amsterdamschen schouwburg. 1920.

om de kunst en het bestaan van den tooneelspeler. Die Fransche opera's waren meestal oppervlakkig, 't uiterlijke werd hoofdzaak; zangers en dansers moesten prachtig gekleed zijn en men zorgde voor mooie decors. Acteurs en actrices van den schouwburg moesten in de zangspelen optreden en dus tegelijkertijd operazangers en -zangeressen zijn en dat ging hun niet allen evengoed af. Men wilde Wattier ook gebruiken voor het zangspel; ze moest een proeve van bekwaamheid afleggen door het zingen van een aria. In de eerste jaren trad zij een enkele maal in een zangspel op en in Mei 1783 werd haar salaris met f 100 verhoogd, omdat ze muziekles genomen had om zich te bekwamen voor het zangspel. In 1786 wordt ze al geen enkele maal meer bij de vertooners der zangspelen genoemd. Eén van haar beoordeelaars zegt: „ze beeldde haar rol goed uit, maar ze was geen cantatrice").

Ze heeft haar natuurlijken aanleg kunnen volgen en ontwikkelen. Treur- en blijspel bleven gehandhaafd naast de zangspelen en dat is voor een groot deel te danken aan Wattier, Ward Bingley en Andries Snoek, die de uitnemende vertolkers werden en door hun spel de menschen naar den schouwburg trokken.

Men had geklaagd over het verval der verheven dichtkunde door het gebrek aan bekwame acteurs voor het treurspel, maar „er kwam ongedacht uitkomst. Ons Amsterdamsch tooneel, dat reeds een roemvol verleden doorleefd had, werd beschonken met een der zeldzaamste voortbrengselen der natuur, dat is met de eenige, onvergelijkelijke, jeugdige Wattier” 2).

Zij was een wonderkind, een geniale schepping der natuur. Zij speelde al op jeugdigen leeftijd hoofdrollen. Zij moest zich dus inleven in hartstochtsuitingen, tragische conflicten, verstandelijke intriges; zij moest zich verplaatsen in karakters en toestanden. Deed zij dit alles bewust of onbewust? Alleen een tijdgenoot-psycholoog zou dit vraagstuk kunnen benaderen. 't Aannemelijkst lijkt mij dit: onbewust beeldde zij uit in haar jonge jaren, bewust werd zij later door studie, denken en 't leven doorleven. Zoo werd zij de uitnemende tragedienne en bereikte de natuur haar doel. Veel is er wat door niet-bewust-worden verloren gaat ondanks aangeboren aanleg, alle wonderkinderen groeien niet uit. 't Bewust worden eischt een persoonlijkheid. Zij werd een persoonlijkheid en leefde zich uit op het tooneel. De acteur en dichter Maarten Westerman, die veel met haar speelde, zegt in zijn lofrede, kort na haar dood uitgesproken in het Genootschap voor uiterlijke welsprekendheid: „Wel had de natuur haar de gave geschonken, maar ook de geestkracht bezat zij om die gave te uiten en te ontwikkelen. Telkens was haar creatie weer nieuw" 1). Ook Professor Siegenbeek, die haar vaak zag spelen en meermalen gesprekken met haar voerde over kunst, zegt, dat zij ,,'t karakter der personen eerst zorgvuldig beoefende"; dat zij een snel bevattingsvermogen had, een juist oordeel en veel verbeeldingskracht en haar gaven ontwikkelde „door zorgvuldige oefening” ?).

1) A. L. Barbaz. 2) J. Hilman, Ons tooneel.

Van haar dagelijksch leven weten we niet veel. Eenmaal wordt in een pikant geschriftje wat van haar private leven gezegd, in ,,'t Galante Leven der Amsterdamsche en Rotterdamsche actrices”, n.l. dat zij in 1783 tengevolge van een liefdesgeschiedenis eenigen tijd het tooneel verliet. Uit denzelfden tijd stamt een officieel bericht, waarbij Commissarissen aan Burgemeesters verlof vroegen iemand te mogen aannemen in haar plaats, daar zij volgens getuigenis van een dokter zoo zwak was, dat zij haar post niet kon waarnemen. Haar afwezigheid duurde dat geheele speeljaar, maar er is geen ander in haar plaats bijgekomen.

Zij is op 39-jarigen leeftijd getrouwd met den architect Bartholomeus Wilhelmus Ziesenis (geb. 1762), zoon van Antonie Ziesenis, den directeur van de stadsteekenacademie en beeldhouwer van de stad, de Admiraliteit en de O.I.C. Na haar huwelijk is haar tooneelnaam Wattier-Ziesenis. Haar man was weduwnaar en had een dochtertje van twee jaar. Zij trouwden in de Oude Luthersche kerk; zij ging dus mee in 't geloof van haar man. Toen ze later in den Haag woonden, bezocht ze weer de Katholieke kerk. Ze hebben geen kinderen gehad. Haar stiefdochter trouwde in 1817 met den Duitscher C. J. Ahrends, onderstalmeester van Willem I, en maakte haar grootmoeder ').

Zij leefde met haar man in geestelijke samenwerking. Zij leerde veel van hem, den beeldenden kunstenaar. Zij verdiepten zich in de Oudheid. Na haar huwelijk, zegt Westerman, kreeg ze begrip van beeldende kunst en van de oudheid en onderscheidde ze zich nog meer in den klassieken treurspelstijl.

Zij was physiek niet sterk en vaak ziek en daardoor dikwijls niet opgeruimd, maar zoodra zij in haar rol was, had de geest 't lichaam

1) M. Westerman, Herinneringen aan Wattier-Ziesenis.
2) M. Siegenbeek, J. C. Wattier-Ziesenis.
3) Dr. Wap, a. w.
TIJDSCHRIFT VOOR GESCHIEDENIS.

25

« PrécédentContinuer »