Images de page
PDF
ePub

kon de kunst der Hellenen niet ongeroerd blijven van religieuse drijfkrachten. „Es war nicht von ungefähr, dass die Aufgabe, welche im Alterthum der Plastik gestellt ward, in der christlichen Epoche der Malerei anheim fiel, dass jene bei den Griechen, diese in der christlichen Zeit die götterbildende Kunst war” -).

Juist de Grieksche voorstelling van het goddelijke als personificatie der natuurkrachten heeft aan de klassieke kunst het natura artis magistra opgelegd, waaraan zij zich steeds zal moeten houden om van het gedrochtelijke vrij te blijven, hoewel zij anderzijds niet kon voldoen aan den kunstzin, die meer tot de diepte van het bewustzijn doordringt, zooals die opkomt in het licht van de Christelijke religie.

„Das höchste geistige Prinzip in der Gottheit zur künstlerischen Darstellung zu bringen, war die Plastik nicht geeignet” ?), doch dit principe was ook door den Griekschen geest niet gegrepen. Eerst het evangelie van den Gekruiste deed de diepste roerselen van het menschelijk bewustzijn ontwaken en peilde in de diepte der persoonlijkheid, wijl zij het innerlijke, individueele ervaren tot zijn recht deed komen. De Christelijke religie stelde de Kunst voor een nieuwe taak en gebood haar in de diepten der ziel af te dalen en deed haar naar het penseel grijpen om in den gloed van kleur en de wisseling van licht en schaduw de merkteekenen van innerlijk ervaren te vertolken. Wij komen hierop later terug. Het voorafgaande bedoelt slechts te memoreeren, dat de Kunst haar genie openbaart in den nauwsten samenhang met het geestesleven van het milieu, waarin het geboren wordt.

De scheiding van Kunst en Kerk, die de nieuwe geschiedenis medebracht, beteekent dan ook allerminst dat het verband met de religie voor goed moest worden prijsgegeven. Integendeel, het karakter der Kunst en het wezen der religie waarborgen veeleer een inwerking van deze laatste op de Kunst, die haar slechts ten goede kan komen *).

In de religie openbaart zich voor het bewustzijn een wereld van hoogere orde. Opkomende uit het gevoel van absolute afhankelijkheid roept zij geheel eigen stemmingen wakker en baart eigen voorstellingen, waarbij ook het intellect een functie verricht, zonder dat daarom de religie nog intellectualistisch kan verklaard worden. „In den bouw der religieuse voorstellingswereld werkt velerlei saam om de Godsidee voort te brengen, die als de kern is, waarom zich al

1) W. Lübke, a. a. 0. Bd. I, S, 3.
2) W. Lübke, a. a. 0. S. 4.
*) Dr. A. Kuyper, t. a. p. blz. 50.

TIJDSCHRIFT VOOR GESCHIEDENIS.

6

het andere beweegt" ). In het licht van een transcendente wereld verschijnt de gansche mensch in relatie met God en in de bewustwording van het gevoel van afhankelijkheid wordt deze relatie uitgebreid over den ganschen inhoud van het bewustzijn; dus ook zijn wereldbewustzijn valt onder God, zoodat de geheele wereld wordt gewaardeerd in betrekking tot God. Als Gods wereld verschijnt voor het religieus bewustzijn de wereld in ruimte en tijd als een openbaring van hoogere geestelijke realiteit, als een product van de hoogste kunst, een kosmos.

Hieruit volgt als van zelf de waardeering van de Kunst en haar positie in een Christelijke levens- en wereldbeschouwing. Al het schoon, dat in deze zichtbare wereld wordt waargenomen, is een doorglansen van het goddelijke, maar is nog niet het Schoon in zijn voleinding, waarop de verwachting van een rijk der Heerlijkheid hoopt en waarnaar het heimwee des harten zich uitstrekt. Uit dien drang naar het hooger Schoon wordt de Kunst geboren ?).

Het behoeft geen betoog, dat in de lagere vormen van religieus leven deze wereld van voorstellingen minder voltooid en meer onbepaald is dan in het licht van de Christelijke religie, doch „es gibt in unserem geistigen Besitzstand nicht viel, wozu man nicht bei den Primitiven Ansätze spüren kann" ").

Dezelfde motieven zijn in alle religie werkzaam en de centrale beteekenis van het religieus gevoel laat niet na haar inspireerende kracht ook op de kunst te doen uitgaan.

Omgekeerd volgt uit het karakter der Kunst, hoewel haar een zelfstandig bestaan moet worden toegekend, haar ontvankelijkheid voor de religieuse inspiratie. De aesthetische waardeering drukt op het zinnelijke den stempel der transcendentie en wordt derhalve uit tweeërlei relatie geboren, wijl de gewaarwording van het schoon wortelt in onze zinnelijke natuur, doch niet zonder een intelligibele wereld van hoogere orde aan het bewustzijn te ontsluiten. Aan deze visie van het Schoon vertolking te geven in het zinnelijk waarneembare is de macht van de Kunst, maar tevens haar beperking; zij is gebonden aan het eindige, aan hetgeen kan worden uitgedrukt.

Hierin ligt ook het onderscheid met de religie, die eveneens den blik opent voor een hoogere orde, doch een orde van eeuwig, oneindig,

1) Dr. H. Visscher, t. a. p. blz. 11.
2) Dr. A. Kuyper, t. a. p. blz. 64. v. v.

N. Söderblom, Das Werden des Gottesglaubens. Leipzig, 1916, S. 1.

3

onuitsprekelijk zijn, ver boven het zinnelijke verheven. Daarom is ook het religieuse kennen wezenlijk rein van al wat aan de zinnen herinnert, terwijl de aesthetische visie doelt op bevrediging van het schoonheidsgevoel. Ook hieruit is duidelijk, dat voor het religieus bewustzijn tengevolge van de bewuste relatie met God en haar alles domineerende kracht, het aesthetische ondergeschikt wordt aan het religieuse.

Toch gaat het in dit verband niet zoozeer om het verschil als om de overeenkomst van kunst en religie. Wat die beide in relatie brengt is de visie in een intelligibele wereld, zooals dat voor ieder werd aangetoond. Het transcendent karakter van het schoone opent voor het kunstgenie een wereld der ideeën, waaruit het motief voor zijn kunst opleeft. De kunstenaar zoekt in het ideaal-schoone. Het is echter duidelijk, dat de waardeering van het schoonheidsideaal subjectief is en dat velerlei factoren in het bewustzijn van den kunstenaar invloed oefenen op zijn aesthetisch gevoel en in verband daarmede op het ideaal van zijn kunst, m.a.w. het aesthetisch oordeel is subjectief vrij. De kunst kan zich derhalve beperken tot de nabootsing der natuur, doch zij kan ook met voorbijgang van de wet aan het schoone gesteld uit eigen boezem van haar genie scheppen, waarbij zij gevaar loopt tot het onnatuurlijke te vervallen en de realitieit te verliezen. Slechts de vereeniging van deze twee kan de Kunst tot haar schoonste uiting brengen. Geroepen om niet enkel natuurcopie te leveren, maar om boven de natuur uit te gaan heeft zij behoefte aan het ideaal, dat haar inspireert. Ziehier haar ontvankelijkheid voor de inwerking der religie. De religieuse kunstenaar schouwt in een wereld van reëel schoon als een profetie der heerlijkheid, die zijn zal. De wereld van religieuse gevoelens en voorstellingen schenkt hem de schoonste motieven voor zijn kunst en zijn waardeering van de wereld der verschijnselen, den mensch zelf ingesloten, als een product van de scheppende macht Gods is hem tot leidsvrouwe voor zijn genie, dat naar het perk, hem gesteld, schept uit den kosmos van den Schepper.

De conclusie is derhalve gerechtvaardigd, dat de Kunst moeilijk aan den inspireerenden invloed der religie zal ontkomen, waar zij opleeft in een sfeer, waarin de religie zich krachtig openbaart.

Dit wordt trouwens door de kunsthistorie bevestigd. De beteekenis van de religie voor de cultuurontwikkeling is dan ook overwegend genoeg om in meerdere mate met haar te rekenen bij het onderzoek naar den oorsprong en aanvang der Kunst dan bij de meeste onderzoekers het geval is. Hoewel dit terrein nog grootendeels braak ligt, *) is toch ook hier de sociologie haar arbeid begonnen, die zeer zeker minder interessant maar allerminst wetenschappelijk van minder waarde is dan de studie van de hoogere kunstvormen. Uit het oogpunt der sociologie verschijnt de Kunst als sociaal phaenomeen en als sociale functie, welke uit practische gronden dienen te worden verklaard. „Der einheitliche Charakter der primitiven Kunstweist unzweideutig auf eine einheitliche Ursache hin; und diese einheitliche Ursache haben wir in demjenigen Kulturfactor gefunden, der bei den Jägerstämmen aller Racen und Zonen einen völlig einheitlichen Charakter besitzt, und der zugleich bei allen Völkern auf alle übrigen Theile des kulturellen Lebens den mächtigsten Einfluss übt, - in dem Nahrungserwerbe"?).

Het ligt voor de hand, dat de strijd om het bestaan een machtige prikkel is om het kunnen van den mensch te openbaren, ook al wordt daardoor nog geen kunst in hoogeren zin gediend. Evenzeer heeft het zijn goed recht om te veronderstellen, dat het vervaardigen en gebruiken van de eerste gereedschappen en wapenen den sluimerenden kunstzin allengs wakker riepen, aangezien het aesthetisch gevoel als behoorende tot het wezen van den mensch, ongetwijfeld bij de primitieve volken aanwezig is. „Sowohl in der selbst- und Geräteverzierung wie auch in der Bildnerei waren es immer praktische Gründe, die latente ästhetische Motive aus ihrer Gebundenheit toe

befreiten und zu einer Steigerung und Differenzierung derselben führten." 3)

Grosse helt er toe over aan het Smuckbedürfnis de prioriteit toe te kennen zelfs bij de pijnlijke operatie van het tatoueeren en insnijden“). Deze ornamentiek van het lichaam kan dan volgens hem langzamerhand tot een teeken van stamgenootschap zijn geworden, doch haar voornaamste beteekenis meent hij toch te zien in den dubbelen grond, dat ze den man siert als Reizschmuck en Schreckschmuck"). De voorkeur, die de natuurmensch algemeen

5 aan het rood geeft, verklaart hij uit de aesthetische waarde, die ook door de cultuurvolken daaraan nog wordt gehecht, getuige de

1) Vgl. Ernst Grosse, Die Anfänge der Kunst. Leipzig 1894, S. 17. 2) Ernst Grosse, a. a. 0. S, 296.

3) Selmar Georg Steinmarder, Wirtschaft und Kunst in ihren ersten Anfängen. Diss. Borna-Leipzig, 1910, S. 52.

4) a. a. 0. S, 78.
5) a. a. 0. S. 107.

[ocr errors]
[ocr errors]

schilderijen van Middeleeuwen en Renaissance en noemt de religieuse
waardeering volgens Waitz-Gerland eenvoudig hypothetisch").

Gaarne erkennen wij de waarde en beteekenis van het Schmuck-
bedürfnis voor de ontwikkeling van de Kunst, doch opzichzelf is het
ontoereikend om een actieve kunst voort te brengen en in het kunst-
product de keuze van lijn en kleur te bepalen. Zelfs al zou de
versiering ook als sociale functie enkel dienen om welgevallen op
te wekken of schrik aan te jagen, dan nog ligt de vraag open, welke
motieven daaraan ten grondslag lagen. Grosse zelf zegt dan ook:
„Wir haben schon wiederholt darauf hingewiesen, dass der primi-
tive Schmuck seine Wirkung nicht allein dem dankt, was er ist;
sondern zu einem grossen Theile auch dem, was er vorstellt" ?).

De vogelkoppen aan den steven der kano's bij de Papua's acht hij in de eerste plaats religieuse symbolen en voorts geeft hij toe dat de keus van het ornamentiek motief religieus kan zijn, schoon de uitvoering van het aesthetisch gevoel afhankelijk is 3).

Daarom bevreemdt het zeer, dat hij bij een gebeurtenis van zoo belangrijke sociale beteekenis als de wijding van den jongeling tot man en stamgenoot bij de primitieven wars is van elk religieus motief, dat de kunstbewerking drijft en meent, dat slechts de ijdelheid hier de lafheid meester wordt, als de jonge man zich onderwerpt aan de operatie, die hem door een onuitwischbaar teeken aan den stam verbindt. Zal enkel de teekening, die hij ten koste van zooveel smart ontving, hem het welgevallen der vrouwen verzekeren en den vijanden schrik inboezemen?

Slechts in het licht der cultuur van een volk is zijn kunst te verstaan en nu is er geen cultuurvorm, die zoozeer door de religie beheerscht wordt als die der primitieve volkeren. Het gansche leven van den natuurmensch is religieus bepaald en ongetwijfeld zal men zijn cultuur het dichtst benaderen door in alle dingen een religieus motief te zoeken. De groote moeilijkheid is hier echter de religie te herkennen. Terecht heeft Söderblom er op gewezen, dat de werkelijke religiositeit niet wordt gevonden in een uitgebeeld Godsgeloof, maar in de werkelijke ervaring van het goddelijke, in die Befrüchtung des Sinnes durch das Heilige” 4).

De macht van het heilige ziet de natuurmensch overal. Al zijn heilige voorwerpen, dansen en riten zijn een eigenlijke krachtbron,

[ocr errors]

1) a. a. 0. S. 60. 2 a. a. 0. S. 103. 1 a. a. 0. S. 23. 9 a a. O. S. 211.

« PrécédentContinuer »