Images de page
PDF
ePub

De oud-Hollandsche ontdekkingsreizen. Dr. F. C. Wieder, De reis van Mahu en de Cordes door de Straat van Magelhões naar Zuid-Amerika en Japan (1598-1600). Tweede deel: De Straat van Magelhães. (Deel XXII van de werken uitgegeven door de Linschoten-Vereeniging). Den Haag, Martinus Nijhoff, 1924.

De aankondiging van het voorafgaande deel 1) ontheft ons van een uitvoerige bespreking, omdat de inhoud van het bovengenoemde in de reeks van drie deelen, toen reeds werd omschreven. Dr. Wieder behandelt, na een voorgeschiedenis, het opnemingswerk van Spanjaarden en Portugeezen, Drake en Cavendish, daarna het werk van Jan Outgersz., den stuurman op het Geloof van kapitein Sebalt de Weert. De tekst van het uiterst zeldzame boekje met de opmerkingen van dien ervaren piloot, is geheel afgedrukt. Daarop volgen bijzonderheden over de kaart van Outgersz. en die van een anderen Hollandschen stuurman, Barent Jansz. Potgieter, een chronologische beredeneerde lijst van 16e eeuwsche kaarten van de Straat, en een opgaaf van de roteiro's of nautische beschrijvingen door de opeenvolgende reizigers. In den tekst zijn vele afbeeldingen en facsimilés opgenomen, daar buiten een aantal kaarten, en niet minder dan elf uitslaande tabellen ter vergelijking van alle gegevens uit die zoogenaamde roteiro's van 1520 tot 1600. De arbeid aan deze omvangrijke studie besteed, dwingt nieuwe waardeering en bewondering af. J. F. L. de Balbian Verster.

De samenzwering van Amboise. Lucien Romier, La conjuration d'Amboise. 2e druk; IV en 290 blz. Paris, Perrin.

Dit werk, dat als ondertitel voert: „,L'aurore sanglante de la liberté de conscience, le règne et la mort de François II", verdient bij ons Nederlanders een zeer grote belangstelling. Dit niet alleen, omdat wij in de tijd van het voorspel van de 80-jarige oorlog zeer nauw bij alle gebeurtenissen uit andere landen zijn betrokken, vooral daar, waar godsdienstoorlog heerst en Filips II een rol tracht te spelen. Bovenal is dit boek zo leerzaam, om de grote gelijkenis, die dit stuk der franse geschiedenis met de onze uit hetzelfde tijdvak vertoont. Wij zien natuurlik — en Fruin heeft dit in zijn,,Voorspel" zeker gedaan de gebeurtenissen der jaren 1560-1572 bijna altijd in het licht der daarna gevolgde oorlog tegen Spanje, waardoor wij wellicht tot interpretaties geneigd zijn, die in de feiten zelf niet opgesloten liggen. In Frankrijk hadden de gebeurtenissen van deze jaren een geheel andere afloop en worden daardoor van het begin aan door ons anders gezien: Wat bij onze buren een min of meer meer onverstandig opgezette samenzwering was tegen het koninklik gezag en tot tegenmaatregelen leidde, die de koning op de weg der verdraagzaamheid brachten, is bij ons het weloverwogen verzet der groten tegen de vreemde despoot, gedragen door de zucht naar vrijheid van een gehele natie. Ik geef daarom de inhoud van dit boek wat uitgebreider dan gewoonlik weer.

Hendrik II is plotseling van het toneel verdwenen en zijn plaats wordt ingenomen door de jonge Frans, die dadelik meerderjarig wordt verklaard, om de invloed van de Hertog van Montmorency te bestrijden. Zo komen de Guises, met wie de jonge koning en zijn moeder nauw zich verbinden, op de voorgrond en daarmee is reeds een der voornaamste thema's van het boek aangeroerd: de onderlinge wedijver der grote heren, de meesten loyaal, maar allen heersch- en ijverzuchtig; de zwakke Antoine de Bourbon, machtig door zijn bezittingen en zijn koninkrijk

1) Tijdschr. v. Gesch, XXXIX p. 121.

Navarre, maar zonder moed en zonder veel politiek inzicht; de oude maarschalk de Montmorency, die zich terug moet trekken voor de Guises, de familie van de jonge koningin Maria Stuart, vooral de populaire Hertog de Guise, en de tamelik gematigde Kardinaal van Lotharingen. (Montmorency is wat gecompromitteerd door de grote uitgaven van de vorige vorst, waardoor ontevredenheid ontstond, en waarin de Guises verbetering hopen te brengen!) Tegenover deze allen staat De Condé, broer van Bourbon, Prins van den bloede, die de ziel der complotten wordt. Hij wil gebruik maken van de algemene ontevredenheid en zich een invloedrijke positie naast de koning verschaffen, terwijl hij nu arm is en de Bourbons reeds onder Frans I steeds waren voorbijgegaan; thans kon hij zich zelfs, door zijn gering pensioen van de kroon, onterfd voelen temidden der „,grand seigneurs".

Hij rekent bij zijn verzet in de eerste plaats op de in-'t-algemeen-ontevredenen, wegens de hoge lasten en de financiële wanorde, maar vindt bijna uitsluitend steun bij de lagere adel. Uit deze ,,capitaines et hoberaux", de condottieren,,,la plupart soldats ou anciens soldats, malchanceux, pauvres, offusqués par le luxe des favoris et des bourgeois, représentants aigris d la vieille France et qui désirent beaucoup plus une réaction q'une révolution", vormt hij de eigenlike ,,conspirateurs". Zij worden gewonnen door het programma: „Le devoir des sujets est de défendre le Roi qui ne peut se défendre lui-même. C'est le rôle des princes du sang, protecteurs nés de la couronne, chefs de la noblesse et premières victimes de l'usurpation (cf. des Guises), d'intervenir contre les usurpateurs. En cas de défaillance des princes, la noblesse doit se substituer à eux". Daarnaast hoort men in October 1559 het eerst de eis van,,la convocation des Etats Généraux”.

Verder meent de Condé een grote steun te kunnen vinden bij de Hugenoten, waartoe wel een aantal dier kapiteins behoren, maar die in meerderheid nog van geen recht van weerstand durven spreken. Hij stelt zich in verbinding met Genève, maar Calvijn steunt hem niet in zijn hachelik ondernemen, en met Straatsburg, dat uitgangspunt van de papieren aanval op de Guises wordt. Merkwaardig is, dat hij verscheiden malen het hoofd stoot, omdat men wel ontevreden is, maar te weinig voor het gehele rijk voelt: velen weerhoudt de macht van De Guises' ,,clientèles" en ,,la répugnance des factions locales à se dépayser et à réunir leurs forces." Om geld zocht men Elisabeths steun, misschien niet vergeefs, ook leveren vele Hervormde gemeenten een schatting, en hier en daar, o.a. in Provence, ook troepen. Overigens doen zij niet veel.

De aanslag mislukt geheel, doordat de koning en De Guises gewaarschuwd worden en het geheel eindigt met een bloedige bestraffing der samenzweerders en een ontkenning van Condé, dat hij meegedaan had, terwijl de koning van Navarre zich vooraf „gedekt" had. Maar de uitwerking is eenzelfde als van het smeekschrift bij ons: de koning neigt tot verdraagzaamheid en zelfs de kardinaal van Lotharingen laat zich merkwaardig vriendelik over de protestanten uit, totdat de eerste schrik voorbij is en men tot grote gestrengheid overgaat. „Tout comme chez nous!"

Nu komt een nieuw persoon haar rol spelen in het stuk: la Reine-mère. Deze Catharina de Médicis wordt met grote liefde getekend als de door karaktervastheid en politiek inzicht de toestand dadelik beheersende en als de boven de partijen staande vorstin. Dat ook is haar ideaal: de tolerantie, omdat ook de Hugenoten haar onderdanen zijn, en niet te grote strengheid tegenover de Bourbons, die zij aan 't hof wenst te bin

den, om niet de factie der Guises oppermachtig te doen zijn. Zij treedt op, als de tijd van rouw over Hendrik II voorbij is, maar dat is, als tengevolge van de mislukte samenzwering een heftige pamflettenstrijd tegen de Guises is begonnen en de vele teleurgestelden tot gewelddadigheden overgaan. En dit is ook 't ogenblik, dat de heftige vervolging der Hugenoten het bewijs heeft geleverd van de onmogelikheid der uitroeiing: het besef dringt zich op „,que l'extermination en masse est dangereuse pour l'Etat; l'idee que l'hérésie individuelle mérite tolérance". Zijn het niet de oudste motieven van de Prins van Oranje en klinkt er niet iets in van de waarschuwing, die de edelen in 1566 lieten horen? Met een gelijk gevolg: in datzelfde jaar 1560 breekt overal het Calvinisme met veel meer brutaliteit door, van overal komen berichten van openlike vergaderingen. Catharina wenst nu een nationaal concilie, vooral om de misbruiken in de Kerk op te heffen als voornaamste oorzaak 'der ketterij. De edicten van Amboise en Romoranti zijn de uitdrukking van deze verdraagzaamheidsgedachte: feitelik wordt de individuele vervolging opgegeven, en met nóg groter kracht komt het Calvinisme tot uiting. Dan echter probeert Condé een tweede complot, met dezelfde elementen, maar sterker gesteund door de Hugenoten, terwijl juist de koning besluit tot bijeenroeping van de Staten-Generaal en alle groten met zich wil verzoenen. Thans wordt de leider wel gevangen genomen en een proces tegen hem begint, waarbij L'Hopital een grote rol speelt. Deze wordt ons getekend als het werktuig van de koningin-moeder in haar politiek van allerstrengste onderwerping van allen aan de koninklike autoriteit, maar humaan optreden tegen alle sectarissen, die hun recht van weerstand opgeven. Waarbij Antoine de Bourbon, de koning van Navarre, steeds ontzien wordt, om als tegenwicht tegen de Guises te kunnen dienen en van hem geen hoofd der ,,malsentans" te maken. Tevens hoopte Catharina de Medici de StatenGeneraal daardoor overbodig te maken, want liever steunt zij op de groten alleen en deze zelf wensen een dergelijke vergadering in het geheel niet. Deze verzoeningspolitiek echter mislukt, eerst door het tweede verraad van Condé, dan ongeveer gelijktijdig, door de heropening van Trente, zodat een nationaal concilie verijdeld wordt en tenslotte door de plotselinge dood van Frans II. Waardoor Catharina echter regentes wordt en een nieuwe fase in de strijd van partij, eigenbelang en staatsidee intreedt. E. v. G.

Het Protestantisme te Parijs tijdens Lodewijk XIII. Jacques Pannier, L'église réformée de Paris sous Louis XIII (1610-1621). Rapports de l'église et de l'état. Vie publique et privée des protestants. Leur part dans l'histoire de la capitale, le mouvement des idées, les arts, les lettres, la société. Paris, Ed. Champion, 1922. frs. 50.

In de voorrede van zijn Französische Geschichte wees von Ranke er te zijner tijd op, dat een Franschman en een buitenlander ten aanzien van de fransche geschiedenis een heel onderscheiden standpunt innemen. De laatstgenoemde is in zijn belangstelling voor haar veel beperkter dan de eerste. Slechts ,,inwiefern sie ein wesentliches Moment in der allgemeinen Entwickelung der Menschheit bildet oder in dieselbe beherrschend eingreift" tracht hij haar te kennen.

Het komt mij voor dat deze niet te loochenen stand van zaken vanzelf ook invloed oefent op de beoordeeling van buitenlandsch werk. De recensent-niet-landgenoot laat noodzakelijkerwijze al wat in zoo'n boek slechts nationale waarde heeft buiten zijn oordeel vallen, om zijn blik uitsluitend op het algemeene erin te richten. Op het algemeene en op

wat betrekking heeft met zijn eigen vaderland. Voor meer ontbreekt hem trouwens niet alleen het interesse, ook de genoegzame détailkennis.

Als er één boek is, ten opzichte waarvan het voor den recensent een geluk is te achten dat slechts zoo'n algemeene bespreking van hem verwacht wordt, dan is het wel deze geschiedenis der Parijsche Kerk van den heer Pannier. Want zij wemelt juist van détails, en toetsing van de nauwkeurigheid daarvan bracht dus een massa werk mee. Waarschijnlijk overbodig werk ook nog: deze schrijver heeft zijn sporen reeds verdiend; zijn L'église réformée de Paris sous Henri IV (Paris 1911), waarop dit boek het vervolg geeft, werd in 1912 door de Académie française met den prix Berger bekroond.

Een werk met veel détails is gewoonlijk een boek met veel verrassingen! En het onderhavige maakt op dien regel geen uitzondering! Intusschen zijn die verrassingen niet altijd van aangenamen aard. Niet minder dan 650 bladzijden tekst met noten en dan nog een 100 bladzijden Pièces justificatives en registers legde de heer Pannier ons voor. Över het algemeen prettig gedrukte en goed geschreven bladzijden, het moet erkend 1). Niettemin: hij stelt onze volharding toch nogal zware eischen. Maar juist daardoor bemerkt de lezer te gemakkelijker dat er in die groote hoeveelheid materiaal vrij wat steekt, dat hij niet verwachtte en eigenlijk liever niet had gevonden. Onwillekeurig vraagt hij zich nu en dan af of dit boek, niettegenstaande men zijn manuscript tijdens den wereldoorlog, soms zelfs op heel avontuurlijke manier, aan het verderf daarvan heeft pogen te onttrekken, met dat al toch niet eenigszins den invloed daarvan heeft ondergaan, door iets van een van alles bergenden soldatenransel te krijgen. De relatie van wat erin meegedeeld wordt met de Kerk van Parijs is soms immers zelfs wel heel ver te zoeken.

Voorbeelden te over: de zeer breede bespreking van den invloed van Jean Héroard op Lodewijk XIII en over het algemeen de gedetailleerde beschrijving van de prille jeugd van dezen monarch, waarbij ons zelfs voorbeelden van zijn brabbeltaal niet worden bespaard (p. 12-14, 16); de uitvoerige mededeelingen, die wij p. 184 sv. over de verandering van godsdienst bij verschillende Conseillers van het Parlement krijgen; de eigenlijk kleine monographiën vormende behandeling van de families du Moulin (p. 219 sv.) en Arnauld (p. 246 sv.); de vermelding van wat de Parijzer Protestanten in het begin der 17e eeuw gepresteerd hebben op het gebied van letteren, kunst en techniek (p. 323 sv.); en eindelijk nog de opsomming van de mannen, die in de Palts franschen invloed hebben gebracht, op p. 466 sv. Neen, L'église réformée de Paris had dit boek eigenlijk niet mogen heeten. Want het geeft, veel meer dan een stuk kerkgeschiedenis, een weerspiegeling van de politieke en cultureele rol, die tijdens Lodewijk XIII in de fransche natie is gespeeld door de totaliteit van het fransche Protestantisme.

Een al te scherp verwijt maak ik den auteur daar niet van. De omstandigheden in zijn vaderland geven waarschijnlijk tot zulk een behandeling van zijn onderwerp gereedelijk aanleiding. Over het algemeen zal men daar van wat het Protestantisme in de geschiedenis en voor de cultuur der fransche natie teweeg heeft gebracht wel een heel geringe kennis

1) Mooi is alleen niet dat van p. 464 af opeens druk met interlinie begint, terwijl daar vóór dien geen sprake van was. En zoo is er ook een uitzondering op den regel van den vlotten stijl: p. 606-635 leest men niet voor zijn pleizier.

hebben. En zoo deed zich dan vanzelf de verzoeking op om eens uitvoerig en op allerlei gebied te laten zien, dat ook hier een der constitueerende factoren van het huidige Frankrijk ligt, evengoed als in het Katholicisme en in de Revolutie. Maar toch: sunt certi denique fines! Een beetje meer soberheid had ik toch wel graag in dit opzicht betracht gezien. Ook al hierom, omdat de schrijver m.i. zijn doel dan nog wel zoo goed had bereikt, dan door zoo van alles te geven. Hetgeen ruim vijftig jaar geleden door Gottlob von Polenz in het laatste deel van zijn Geschichte des französischen Calvinismus werd geboden toont dit naar mijn meening voldingend aan. In heel wat minder bladzijden wordt door dien schrijver een beeld van denzelfden tijd gegeven, dat zijn beperkter opzet in aanmerking genomen aan kantige scherpte voor het hier geteekende zeker niet behoeft onder te doen.

Had de heer Pannier de klip, waarop hij nu gestrand is, misschien omzeild wanneer hij, alvorens met schrijven te beginnen, zich wat beter dan hij blijkt te hebben gedaan, rekenschap had trachten te geven van het wezenlijke der taak van den historicus? Heeft deze slechts verslaggever te zijn, naverteller van wat zijn bronnen vertellen? Voor een naïeve geschiedschrijving is dat zeker genoeg. En men kan er ook een werkelijk interessant verhaal van het verleden door krijgen. Maar wetenschappelijk gesproken schiet toch ook zelfs de best geslaagde poging van dien aard tekort. Wetenschappelijk voldoet zijn werk alleen als hij zich rechter-commissaris voelt, die na er zich rekenschap van te hebben gegeven op welke vragen hij een antwoord verlangt zijn bronnen een kruisverhoor afneemt: een bijzonder woordenrijke het zwijgen weet op te leggen als dat noodig is, een bijzonder geslotene zijn geheim weet te ontfutselen hoe angstvallig zij het ook tracht vast te houden, een leugenachtige door ook nog andere te ontbieden weet te corrigeeren en zijn antwoord op de vraag of hij zijn taak als afgeloopen zal beschouwen niet afhankelijk maakt van de hoeveelheid materiaal die hij verzamelde, maar van de kwestie of hij de zaak, aan welker behandeling hij zich heeft gezet, al doorziet ja dan neen!

De tijd, waarover de heer Pannier schrijft in dit boek, is ook in onze Nederlandsche geschiedenis een bij uitstek belangrijke geweest. En het is daarom een genoegen, al lezende, telkens mededeelingen bij hem aan te treffen, die met die geschiedenis van ons land zelfs onmiddellijk verband houden. Mededeelingen over benoemingen aan de Leidsche Universiteit (bijv. p. 159 sv.), over de Dordtsche Synode van 1618/19 (p. 442 sv., 450, 529, 562), en over de lotgevallen der Remonstranten na afloop dier kerkvergadering nemen daar wel de voornaamste plaats onder in.

Nog te grooter is dat genoegen omdat de auteur meermalen blijk geeft onze vaderlandsche wetenschappelijke litteratuur over de betrokken periode veel beter te kennen dan men dat in den vreemde pleegt te doen. Dat iemand, die de nederlandsche personen en toestanden uit het begin der 17e eeuw als landgenoot kent, hier en daar een streep zet bijv. p. 448/9, bij een opmerking over de praedestinatie-leer der Dordtsche Synode; p. 470, als hij daar den Heidelbergschen Catechismus,,légèrement revu par un luthérien" vindt genoemd; en p. 523, bij den naam,,Gédéon de Botselaer et Asperen, baron de Langerach" neemt niet weg dat de heer Pannier in dit opzicht bijzondere hulde verdient. A. A. van Schelven.

Port-Royal. Emil Magne, Quelques pénitents mondains de Port-Royal de Paris, d'après des documents inédits. Revue de Paris 15 Maart 1924.

« PrécédentContinuer »