Images de page
PDF
ePub

hy Godt innichlic an, ende loofde hier zijn Bedevaert te doen, met een silveren halsbant also vere als hi van die vangenisse ende pijn verlost worde." Na zijn bevrijding volbracht hij zijn belofte en deed zijn bedevaart naar de H. Stede.

Dit verhaal doet toch wel vermoeden, dat de kooplui van Bremen en Hamburg nu juist niet zoo onverschillig waren voor het mirakel als de heer Dr. Smit het wil doen voorkomen. Stellig zijn er meer geweest als deze „joncman”. Ook in zijn meening omtrent de jaarmarkt vergist hij zich. Juist bij de jaarlijksche Sacramentsfeesten werd een groote jaarmarkt gehouden, en wel op 12 Maart, ,,de feeste van den waerden Heyligen Sacramentedach in die Vasten". Deze Sacramentsmarkt heeft nog in de 17e eeuw bestaan, en ik herinner mij zelfs nog de ,,halfvastenkramen" in mijn jonge jaren, als een mager overblijfsel van deze aloude jaarmarkt.

Hoe gevaarlijk het is, zich, ter verklaring van Amsterdams bloei en opkomst, blind te staren op den koophandel, zonder ook acht te geven op den geestelijken invloed, bewijst Dr. Smit door de volgende veronderstellingen.

„Men krijgt den indruk, dat slechts de bewoners van den naasten omtrek der stad de processie van het mirakel bijwoonden; zij zullen waarschijnlijk wel verteeringen hebben gemaakt, doch konden de stad geen grooter handelsbloei bezorgen."

Dat ook beêvaartgangers van verre kwamen wordt toch wel bewezen door het aanleggen van den grooten heirbaan „de Heilige Weg"; maar het voorname handelsbelang, dat burgemeesteren en schepenen gelegen achtten in de jaarlijksche Sacraments processie blijkt toch wel duidelijk uit de keur door den schout afgelezen den 9 Maart 1495, in tegenwoordigheid van drie burgemeesteren ende alle de scepenen": ,,Alsoe thans aenstaende is thoochtiit van 't Heylige wairdige Sacrament, dat man hier omme te dragen plach in de Vasten, dair vele goede herten toe genegen ziin omme alhier van buyten in te komen ende twairde Heylige Sacrament te aenbeden ende te verzoecken; mede plagen hier te deser uytredinge van de scepen, om eens ende anders dat zii te doen hadden, alhier vele coopluyden te comen, dairinne thans groet belet ende wederstandt doet de bezwairnisse van renten ende sculden, dair de steden deser lande in zijn, overmits welcken neymant, noch van devociën om ziin bedevaert te doen, noch comanschap te hantieren, alhier van buyten incomen off int openbair verkeeren en darff, dair de heere ende gerecht geern in remedieren ende goede wegen toe vinden zoude, in zoeverre als in hun is, omme elck tot devocie te porren ende voirt te geriven van te halen des hem noot ende behoeff is ende men hier mach crigen ende te coop vinden", daarom geven zij een vrijgeleide aan alle goede lieden om in de stad te verblijven voor hun devotie of koopmanschap, zonder dat zij aangesproken mogen worden voor eenige schulden 1).

De verklaring, dat hier vele kooplieden plegen te komen, duidt toch wel op een van ouds bestaanden toestand en op het feit, dat zij, in verband met de processie aan de stad wel „grooter handelsbloei” bezorgden.

Ook in de 16e eeuw is Amsterdam door zijn bedevaartplaats Terheyligenstede blijven bloeien. De bezoeken van Karel den Stoute, van Maximiliaan en van Karel V, aan de H. Stede gebracht, gaven de stad een groot aanzien. Een 16e eeuwsch schrijver bericht daarover:

1) Keurboek B, fol. 12 verso. Afgedrukt bij Breen, Rechtsbronnen van Amsterdam, b). 304–5.

„huius sacelli longe auspicatissimi tanta apud exteras quoque nationes fuit celebritas, ut non crederent Hollandiam terram invisisse nisi et hanc aedem multo celebratissimam, atque adeo octavum orbis miraculum invisissent." 1)

Na deze uitvoerige uiteenzetting komt het mij voor, mijn meening te kunnen volhouden, dat een onvolledige, dus onjuiste voorstelling wordt gegeven, wanneer alleen economische oorzaken worden aangevoerd voor de oudste bloei en opkomst van Amsterdam. Wat toch moet in de middeleeuwen verstaan worden onder bloei? Een samenwerking van economische en geestelijke voorwaartsche beweging. Welnu Amsterdam heeft in de 14e eeuw en voor haar economisch en voor haar geestelijk bestaan den steun gehad van krachtige, levenwekkende gebeurtenissen.

En daar niemand zal ontkennen, dat toen geheel het maatschappelijk leven zijn hoogste synthese bereikte door en in de Kerk, behoort aan het mirakel van Amsterdam zeker een voorname plaats te worden gegeven onder de geschiedkundige feiten waaruit de opkomst en bloei van de Amstelstad wordt bewezen.

1) Alardus Aemstelredamus, Parasceve ad S.S. Synaxin. Coloniae, 1532.

LITERATUUR-OVERZICHT.

1. ALGEMEENE WERKEN.

De beteekenis der politieke geschiedenis. H. T. Colenbrander, Eerherstel der staatkundige geschiedenis. Inaugureele rede. M. Nijhoff, 's Gravenhage. 1925.

De heer Colenbrander heeft het noodig geacht om in de derde inaugureele rede, door hem aan de Leidsche Universiteit gehouden, met bijzonderen nadruk op te komen voor het eerherstel der historia politica”, die de schr. voor „de koningin der historische wetenschappen” houdt. De andere vakken wil de schr. echter toch niet geheel schrappen; deze „hulpwetenschappen” mogen in het gevolg der koningin als ,,dienende zusteren" nog een „eigen eervolle plaats" vinden. Maar standsverschil moet er wezen. Prof. C. erkent, dat onder de genoemde dienende zusteren de economische geschiedenis niet de minste is. „Maar de meesteres vervangt zij nimmer; jarenlange practijk der een vorig geslacht verblindende leus heeft het aangetoond. Al sprokkel ik uit centuries of work and wages de economische gegevens bijeen, ik zal er nooit levende menschheidgeschiedenis van maken zonder mijn verbeelding uit de economische sfeer te laten overspringen in de politieke. Elk menschelijk streven toch dat zijne verwezenlijking nadert mondt uit in die sfeer, tracht ze te doordringen zich van de daar voorhanden middelen te bedienen. Die sfeer en geen andere is daardoor mikrokosmos bij uitstek, en als mikrokosmos geschikt, de historische verbeelding te wekken en te boeien.”

De besliste toon van dezen redenaar laat eigenlijk geen tegenspraak toe. Toch kan ik niet nalaten — met de bescheidenheid, die aan den beoefenaar eener „hulpwetenschap" past - te vragen, wie ooit gezegd heeft, dat de economische geschiedenis de politieke zou kunnen vervangen”? Bij mijn weten is dat zelfs door de meest ortodoxe aanhangers van het historisch-materialisme nooit beweerd. Daarentegen wordt de juistheid van de stelling, dat de economische verschijnselen de politieke ontwikkeling in haar groote lijnen sterk beïnvloeden, m.i. door de historische praktijk van haast iederen dag meer bevestigd. Dit te onderkennen onderstelt natuurlijk eenige economische_kennis; men kan geen invloed zien van datgene, wat men niet kent. Dat voorts op sociaal-economisch gebied geen levende menschheidsgeschiedenis" te schrijven zou zijn, is één van die stoute beweringen, waarvan deze rede wemelt doch die overigens meerendeels meer stout dan juist zijn. En de kunst- en de godsdienstgeschiedenis en de andere takken der historische wetenschap, kunnen die ook geen levende menschheidsgeschiedenis" geven zonder de staatkunde in het beeld te betrekken? Mij dunkt: de vraag stellen is tevens haar beantwoorden.

Vroeger verstond men onder geschiedenis nagenoeg uitsluitend politieke geschiedenis. Onder invloed van de specialisatie in de historische wetenschap begint dat langzamerhand te veranderen. Doch de verouderde opvatting is nog lang niet verdwenen. Wel verre van eerherstel noodig te hebben, geniet de politieke geschiedenis bij ons Hooger Onderwijs nog steeds een onbillijke bevoorrechting. Aan de beroemde Leidsche Universiteit b.v. zijn twee leerstoelen voor politieke geschiedenis, doch de 200 uiterst belangrijke sociaal-economische geschiedenis is noch in de literair-historische, noch in de juridische faculteit vertegenwoordigd 1); aan de beide andere rijks-universiteiten is dat trouwens evenmin het geval.

Dat de politieke geschiedenis een belangrijk vak is, wordt door de historici vrijwel algemeen erkend. Ik geloof evenwel, dat de beoefenaars der historia politica aan de wetenschap hunner voorliefde geen dienst bewijzen, wanneer zij voor dit vak den voorrang opeischen. Dat maakt den indruk van een dwaze aanmatiging en verwekt slechts ergernis en wrevel. Terecht zegt de bekende cultuurhistoricus Georg Steinhausen daaromtrent: „Ueberflüssig und schädlich ist freilich ein gegenseitiges Hervorkehren der Superiorität des einen oder des anderen Gebietes”.

Er is nog een ander punt in de rede van prof. Colenbrander, dat aanleiding geeft tot kritiek, n.l. de verwaarloozing van het eigenlijk wetenschappelijk element in de taak van den historicus. Voor exacte vorsching, voor het verstandelijke analyseeren, classificeeren en verklaren der verschijnselen heeft de heer C. blijkbaar een zekere minachting. „Ik daarentegen” — zoo roept de redenaar uit - „als ik geschiedenis lees wil ik niet rondwaren in een magazijn van „exacte” gegevens die daar, zorgvuldig geëtiqueteerd, om mij heen liggen als dood materiaal, en ook niet in de stemming worden gebracht die het rhytme van het onpersoonlijk gebeuren in de natuur in mij wekken mag''. Dat magazijn kan de heer Č. als „verzameling van hulpmiddelen waardeeren”, maar een geschiedwerk moet een epos zijn, dat den lezer in aanraking brengt ,,met menschen, met de fouten, met den strijd, met den ondergang, met de zegepraal van menschen......". Het is duidelijk: prof. C. waardeert een historische verhandeling alleen, wanneer deze tevens een kunstwerk is. Proefnemingen met een geschiedschrijving ,waaruit het artistieke element ten behoeve van het zoogenaamd exacte zou zijn weggedrongen" zijn volgens hem steeds mislukt. Aan zijn ambtsvoorganger, prof. Blok, maakt de schr. er dan ook een ernstig verwijt van, dat deze indertijd de geschiedenis „met andere natuurwetenschappen” op één lijn heeft durven stellen en daarmede de historie „de diepste kniebuiging deed maken die haar ooit is afgevergd”.

Nu is de idenficatie van geschiedenis en natuurwetenschap – dat kan men den schr. toegeven inderdaad niet juist. Doch nog veel minder gelukkig is 't om in dit verband van een „kniebuiging” de diepste nog wel! - te spreken. Wanneer ik aan de ontzaglijke prestaties van de moderne natuurwetenschappen denk, dan komt 't mij voor, dat den historicus eenige bescheidenheid past. Hoewel het artistieke element in het werk van sommige historici ongetwijfeld waardeering verdient, staat het m.i. vast, dat de historische wetenschap meer gebaat wordt door het streven naar exactheid, waarvoor prof. c. niets dan smaad over heeft.

1) Kerkgeschiedenis en rechtsgeschiedenis worden resp. in de theologische en juridische faculteiten gedoceerd. Te Amsterdam is de toestand gunstiger, doordat de hoogleeraar in de economische geschiedenis (Handelsfaculteit) tevens deel neemt de opleiding der studenten in de geschiedenis.

aan

Het spijt mij, dat ik van deze rede zoo weinig goeds kan zeggen. Want ik koester bewondering voor de moedige houding van Colenbrander tegenover de belangzuchtige aanvallen, waaraan de Indologische faculteit der Leidsche Universiteit heeft bloot gestaan. Eveneens heb ik groote waardeering voor het historisch werk van den schrijver. Men zou van hem eigenlijk hetzelfde kunnen zeggen, wat hij van Blok zegt, n.l. dat zijn werk beter is dan zijn theorie!

J. G. v. D.

Auto-ergographiën van historici. Die Geschichtswissenschaft in Selbstdarstellungen, herausgegeben von dr. Sigfrid Steinberg. Band I. F. Meiner, Leipzig.

Deze bundel maakt deel uit van de serie „Die wissenschaft der Gegenwart in Selbstdarstellungen". De bedoeling van den uitgever Felix Meiner is om den tegenwoordigen stand der wetenschap te schetsen door in diverse bundels aan een aantal eminente geleerden gelegenheid te geven hun levenswerk te beschrijven. In het boek, dat voor ons ligt, zijn bijdragen opgenomen van: G. von Below, A. Dopsch, H. Finke, W. Goetz, R. F. Kaindl, M. Lehmann en G. Steinhausen. Nog meerdere bundels zullen volgen.

Zooals uit de namen blijkt, wordt in de eerste plaats aan de Duitsche wetenschap gedacht; in den tweeden bundel, die in de volgende aflevering van dit tijdschrift besproken zal worden, komen echter ook een Engelschman en een Nederlander aan het woord.

Een moeilijkheid bij een dergelijke onderneming is natuurlijk de keuze der medewerkers. Uit den aard der zaak is deze subjectief en dus vatbaar voor kritiek. Intusschen mag ten aanzien van den eersten bundel geconstateerd worden, dat de bijdragen zonder uitzondering interessant en belangrijk zijn. Daar de schrijvers hun taak aldus hebben opgevat, dat zij zoowel hun leven als hun werk beschrijven, is dit boek niet alleen nuttig maar ook boeiend. Behalve de bibliothecaris Steinhausen, zijn het allen professoren, die hier aan 't woord komen, en daardoor is deze bundel tevens een goede bijdrage tot de kennis van het Duitsche universiteitsleven geworden. In de bijdrage van den cultuurhistoricus Walter Goetz, den opvolger van Lamprecht, treft men o.a. een interessante beschrijving aan van het Leipziger Institut für Kultur- und Universalgeschichte. Terecht heeft Goetz den al te grootschen opzet van Lamprecht beperkt. Toch telt dit Instituut nog 6 à 8 docenten en daar aan het oudere historische Instituut een gelijk aantal verbonden is, wordt de geschiedenis aan de Leipziger universiteit door niet minder dan 12 å 16 docenten vertegenwoordigd!

Behalve Goetz ontmoet men in dezen bundel nog een anderen kultuurhistoricus, n.l. Georg Steinhausen, den schrijver van „Die Geschichte des deutschen Briefes” en van „Die Geschichte der deutschen Kultur". De bijdrage van Steinhausen is belangrijk, omdat deze soort kultuurgeschiedenis, die hij als ,,Geschichte der Gesittung und Bildung" aanduidt, nog betrekkelijk weinig beoefend wordt en toch ongetwijfeld belangstelling verdient.

Georg von Below verhaalt op boeiende wijze van zijn jeugd op het kleine landgoed in Oost-Pruisen, van den indruk, dien de colleges van Treitschke en Lamprecht op hem maakten en van zijn onverbiddelijken leermeester Moritz Ritter. „Er (Ritter) hatte nichts ermunterndes in seinem Wesen; immer nur kritische Prüfung; kein Wort liesz er durchgehen". Na bespreking van gedeelten van zijn dissertatie is de schrijver meermalen „mit dem Gefühỉ der Zerschlagenheit” naar huis gegaan. Von Below erkent echter, dat hij aan dezen harden leermeester veel te

« PrécédentContinuer »