Images de page
PDF
ePub

danken heeft. Ook over zijn professoraat aan verschillende universiteiten vertelt de schrijver interessante bijzonderheden. Wat zijn werk betreft wijst hij o.a. op zijn met succes bekroonden strijd tegen de hofrechttheorie. Het is te begrijpen, dat een strijdlustig man als Von Below zich op den duur niet buiten de politiek heeft kunnen houden. Aan het partijleven der Duitsch-nationalen heeft hij in de laatste jaren een actief aandeel genomen. Voorts heeft de schrijver op scherpe wijze stelling genomen tegen,,die demokratischen Bemühungen den Geschichtsunterricht parteimäszig zu gestalten". Het komt mij evenwel voor, dat Von Below zelf in deze kwestie ook niet zonder partijdigheid oordeelt. Het betreft n.1. het streven om aan de universiteiten bij de bezetting der leerstoelen ook de democratische richting tot haar recht te doen komen. Wanneer men bedenkt, dat in het keizerlijke Duitschland socialisten voor een professoraat nooit in aanmerking kwamen en in 't algemeen het conservatisme aan de universiteiten hoogtij vierde, dan moet men het m.i. billijken, dat de na de revolutie opgetreden regeering aan de achterstelling van haar aanhangers bij het academisch onderwijs een einde heeft willen maken.

Hoezeer het conservatisme onder de Duitsche historici overheerscht, blijkt trouwens wel uit hetgeen Max Lehmann in dien zelfden bundel mededeelt over zijn ervaringen, toen hij het gewaagd had in zijn geschiedenis van den Zevenjarigen Oorlog uit het ,,Testament politique" van Frederik den Groote uit het jaar 1752 diens veroveringsplannen aan te toonen.,,Die Erregung der Fachgenossen innerhalb und auszerhalb der Universitäten war so grosz, dasz einer dem Kultusministerium nahe legte, die Disziplinaruntersuchung gegen den Missetäter zu eröffnen: was dann freilich eine dem Ankläger sehr unerwartete Wirkung auslöste". Reeds bij de voorbereiding van zijn boek had de schrijver groote moeilijkheden te overwinnen. Toen zijn excerpten de contrôle van het huisarchief reeds gepasseerd waren,,,schnitt das Auswärtige Amt gerade diejenigen Stücke heraus, auf die es mir ankam". Lehmann voegt hieraan toe:,,Ein Mangel an Achtung vor der Wahrheit, für den freilig wohl weniger die damaligen Beamten jener Behörde verantwortlich zu machen sind als der kurz vorher entlassene gewaltigste aller preuszischen Auszenminister (Bismarck), der auf den Umschlag des gefährlichen Dokuments geschrieben hatte: ,,Dauernd zu sekretieren" auch ein politisches Testament"! De schrijver deelt trouwens nog meer staaltjes mede van Bismarck's minachting voor de zelfstandigheid der wetenschap.

Ten slotte wijs ik nog op de bijdrage van den Oostenrijker Alfons Dopsch. Hij behandelt uitvoerig zijn nieuwe opvattingen omtrent de economische verhoudingen in de vroege Middeleeuwen. Zijn groote werken:,,Die Wirtschaftsentwicklung der Karolingerzeit" en:,,Wirtsch. u. Soziale Grundlagen der europäischen Kulturentwicklung" hebben beide reeds een tweeden druk beleefd. In ons land zijn zij echter nog veel te weinig bekend. J. G. v. D.

Economische geschiedenis. Lujo Brentano, Der wirtschaftende Mensch in der Geschichte. Gesammelte Reden und Aufsätze. Felix Meiner, Leipzig.

Lujo Brentano is de eenig-overgeblevene van het bekende driemanschap Wagner-Schmoller-Brentano, dat meer dan een halve eeuw geleden den strijd aanbond tegen de orthodoxe liberale economie. Als student was hij in het geloof aan de volstrekte juistheid dezer abstracte theorie opgevoed, doch na zijn promotie geraakte hij door waarneming der werkelijke maatschappelijke verhoudingen al spoedig aan het twijfelen.

Op den duur kwam hij tot de overtuiging, dat de liberale theorie in vele opzichten met de feiten niet in overeenstemming is. Brentano heeft in 't bijzonder de opvatting, dat het arbeidsloon uitsluitend door vraag en aanbod van arbeid wordt bepaald, met kracht bestreden. Hij was één der eerste economisten, die tot inzicht van de beteekenis der vakbeweging kwamen. Van deze opvatting getuigde hij in zijn bekend werk:,,Die Arbeitergilden der Gegenwart" (1871). Het is te begrijpen, dat een economist met deze mentaliteit ook de behoefte aan historische studie gevoelde. Daarvan legt ook deze bundel getuigenis af, waarin Brentano een aantal tijdschriftartikelen en redevoeringen heeft vereenigd.

De bundel begint met een theoretisch stuk: „Die klassische Nationalökonomie" de rede, die de schr. bij aanvaarding van het hoogleeraarsambt aan de universiteit van Weenen in 1888 heeft gehouden. De volgende artikelen bewegen zich echter nagenoeg alle op historisch gebied. Een probleem, waarmede Brentano zich meermalen heeft bezig gehouden, is het ontstaan van het kapitalisme. Met de opvattingen van Sombart kan hij zich in 't geheel niet vereenigen. Deze bundel bevat dan ook een tweetal artikelen, waarin de theorie van Sombart wordt bestreden. In het stuk:,,Handel und Kapitalismus" betoogt de schr., dat Sombart het ontstaan van een kapitalistisch handelsbedrijf in Italië veel te laat (nl. tijdens den vierden Kruistocht) stelt; hij wijst hierbij o. a. op den handelsbloei van Genua en Venetië in de 11e en 12e eeuw. De argumenten van Brentano zijn ongetwijfeld niet zonder kracht, al komt het mij voor, dat hij te gauw geneigd is om elk symptoom van handelsbloei,,kapitalistisch" te noemen. In elk geval kan ik mij niet vereenigen met zijn afwijzing van de tegenstelling tusschen handwerksbedrijf en kapitalistische onderneming, die Sombart zoowel in feitelijk als in psychologisch opzicht heeft geconstrueerd. Het verschil in mentaliteit tusschen den middeleeuwschen handwerksman en den modernen ondernemer is toch met een verwijzing naar het feit, dat hebzucht een in alle tijden voorkomende ondeugd is, volstrekt niet afdoende weerlegd.

Beter kan ik mij vereenigen met Brentano's bestrijding van het bekende werk van Sombart over de Joden. Hij keert de stelling van Sombart om: ,,Nicht wo Israel hinkommt, sprieszt neues Leben empor, sondern wo ein wirtschaftlicher Aufschwung stattfindet oder zu erwarten ist, da zieht Israel hin". Intusschen moet hierbij wel in acht genomen worden, dat de Joden bij den bloei van verschillende landen toch inderdaad een element van beteekenis zijn geweest. Doch Sombart overdrijft dit heel sterk; zijn neiging tot effectbejag en zijn behoefte om den lezer door paradoxen te overbluffen, spelen hem hierbij parten. Scherp critiseert Brentano ook de mishandeling, die Sombart den Joodschen geest en den Joodschen godsdienst heeft doen ondergaan.

Belangrijk is voorts het opstel: ,,Puritanismus und Kapitalismus", waarin de schr. de bekende stelling van Max Weber aan kritiek onderwerpt. Volgens Weber heeft de Calvinistische ethiek, vooral in de gedaante, die deze bij de Engelsche en Amerikaansche Puriteinen verkreeg, een sterken invloed gehad hebben op de ontwikkeling van den kapitalistischen geest en van het kapitalisme in 't algemeen. Brentano komt echter tot de conclusie:,,dasz die puritanische Ethik die traditionalistische Wirtschaftsethik des Kleinbürgertums gewesen ist, in welcher sich der Handwerkergeist der zweiten Hälfte des Mittelalters in seiner Weiterentwicklung gespiegelt hat". Ik ben wel geneigd om Brentano hierin gelijk te geven, maar vraag mij toch af, of beide schrijvers bij hun tekstuitlegging niet wat eenzijdig zijn. J. G. v. D.

Anthropologie en geschiedenis. Eug. Pittard, Les races et l'histoire, Introduction ethnologique à l'histoire, XX en 619 blz. Bibliothèque de synthèse historique, L'Evolution de l'humanité, dirigée par Henri Berr, V; Paris, La Renaissance du livre, 1924.

Bij het zoeken van ,,de grote lijn" in de geschiedenis, bij het geven van een algemene verklaring voor de historiese ontwikkeling of van een bizondere voor de historiese feiten, zijn het vooral twee factoren geweest, die men een allesbeheersende invloed heeft willen toeschrijven: het milieu en het ras, en op beide zijn even eenzijdige theoriën opgebouwd. Vandaar, dat de directeur van de ,,Revue de Synthèse historique", die reeds jaren lang zijn best doet om bouwstoffen aan te voeren voor een algemene, samenvattende historiese beschouwing, maar geen bepaalde theorie wil opstellen of verdedigen, in zijn bibliotheek ook aan de behandeling van het rassenvraagstuk een afzonderlik deel wijdde en dit heeft opgedragen aan een der meest bevoegde anthopologen van thans: Eugène Pittard, professor aan de Universiteit van Genève. Deze heeft op voortreffelike wijze zich van zijn opdracht gekweten. Hij heeft een boek geleverd, dat voor elke historicus een goede, niet al te beknopte samenvatting geeft van wat op het ogenblik de anthropologie heeft bereikt, waarin duidelik uitkomt, wat nze kennis van het rassenvraagstuk mag zeggen en van alle vragen, waarop zij nog geen antwoord kan geven. Op dit laatste ligt de nadruk: het boek is grotendeels negatief, zeer veel opgestelde theoriën moeten worden omvergeworpen en telkens weer wordt door Pittard betoogd, dat deze en die mening geheel in de lucht hangt of dat de een of andere theorie als onjuist moet worden aangemerkt. Wij krijgen dan ook een geheel andere voorstelling van het rassenprobleem dan de gangbare. De schrijver betoogt vooral telkens weer, dat geen verband gelegd moet worden tussen taal en raskenmerken en dat dus alle onderscheidingen, die wij gewoon zijn te maken tusschen Indogermanen, Germanen, Kelten, Romanen, Slaven en wat dies meer zij, met rassen en ethnologie niets te maken hebben en dat nooit een taal als kenmerk voor een ethnologiese groep mag worden beschouwd:,,la race est un fait zoologique, la langue est un fait social". Wanneer we dan ook een kaart van de talen in Europa op een van de rassen leggen, dan zullen wij dadelik kunnen constateren, dat zij elkander in 't geheel niet dekken en dat, waar de taal een duidelike nationale eenheid geschapen heeft, de meest verwarde heterogeniteit van ras kan heersen. Natuurlik, men kan ook het woord „ras" gebruiken om een grotere groep aan te duiden, die een aantal naties omvat, omdat hun talen, hun gewoonten enz. een zekere verwantschap vertonen, maar dan mag men ook geen enkel zoölogies kenmerk aan dit woord verbinden, dan gelden daar andere wetten dan erfelikheid, vermenging enz. Maar dan komen wij toch weer in strijd met allerlei in het gewone spraakgebruik, dat nu eenmaal aan ,,ras" wel een biologiese beteekenis toekent, iets als van een „familie". Pittard, de anthropoloog, begint dan ook de definitie van Boule over te nemen:,,il faut entendre par race, la continuité d'un type physique, traduisant les affinités de sang, représentant un groupement essentiellement naturel, pouvoir n'avoir et n'ayant généralement rien de commune avec le peuple, la nationalité, la langue, les mœurs qui répondent à des groupements purement artificiels, nullement anthropologiques et ne relevants que de l'histoire dont ils sont les produits." En het is dadelik al een flinke domper op hoogdravende theoriën van rassen, die geschapen zijn om te heersen en rassen, die tot gehoorzaamheid zijn gedoemd, van rassen, die de beschaving dragen en de mensheid tot ontwikkeling brengen enz., als we

horen:,,ce sont les pauvres diables (uit een volk) qui ont la plus grand noblesse ethnique." Wat hebben wij te denken van de invasies en de ethnologiese revolutie, die zij verwekken? Het antwoord is eenvoudig, zegt P., als wij slechts even bedenken, dat b.v. de Westgoten in 376 de Donau mogen oversteken en, dwars door de Balkan en Italië trekkend, in 415 Spanje bereiken:,,Trente-neuf ans se sont écoulés depuis leur établissement sur la rive droite de la Danube. S'agit-il d'une seule invasion? Les hommes qui avaient au départ vingt-cinq ans en ont maintenant, s'ils ont survécu à tant d'aventures, soixante-cinq! Quelle influence raciale vont ils donner à l'Espagne? Sera-t-elle seulement perceptible? Elle paraît en tout cas bien mince." Een nauwkeurig onderzoek van de schedelvorm, haar- en huidskleur en lengte (de voornaamste raskenmerken onder vele andere) heeft reeds lang geleerd, dat niet alleen de Beieren van een geheel ander ras zijn dan de bewoners van Noordduitsland ('t zg. germaanse of noordse ras), maar dat zelfs de Alamannen, die hun naam gaven aan 't bij uitstek ,,Germaanse" rijk, in Zuidduitschland en Zwitserland door hun verovering alleen hun taal, maar geen enkel rasverschil brachten! De Griekse koloniën, die geheel West-Klein-Azië verhelleniseerden, werden niet gesticht door rasGrieken, er is daar een afzonderlik ras al in de oudste tijden aantenemen, dat Pittard,,les Egéènes" noemt, die anders zijn dan de Hellenen van 't vasteland. Is de Volksverhuizing iets anders geweest dan een politieke overheersing van een kleine groep van binnenvallers, die bovendien lang niet altijd tot een ander ras dan 't overheerste zullen hebben behoord? De praehistoriese vondsten en de tegenwoordige rassenkaart van Europa wijzen het met grote zekerheid aan!

Dat zijn de twee hoofddelen van de inhoud van dit zeer leerzame en buitengewoon voorzichtig-wetenschappelike boek, waarvan vooral de inleiding door elke historicus moest worden gelezen. De inhoud ervan nauwkeurig weergeven is natuurlik hier onmogelik, laat ik volstaan met een korte opsomming. Het eerste deel bevat de bovenstaande waarschuwingen aan 't adres van hen, die een al te simplisties of een al te gauw opgesteld verband tussen ras en historie willen leggen en behandelt daarna de classificatie der mensheid: welke kenmerken zijn hierbij criterium en hoe kunnen deze worden onderzocht. Het is geen uitgebreide methodologie der anthropologie, slechts een kijkje in het laboratorium wordt ons gegeven, juist genoeg voor de leek-historicus. Nogmaals wordt dan de kwestie:,,Races et langues" uitvoerig toegelicht en tenslotte de resultaten gegeven van het onderzoek der praehistoriese mensheid, vanaf de oudste tijden (zijn er reeds resten uit het tertiaire tijdperk?) worden de verschillende vondsten beschreven en voorzichtig enige conclusies getrokken. Het tweede deel van het boek geeft dan de beschrijving van de rassen in Europa en van enkele van de belangrijkste in de andere werelddelen (van Afrika wordt b.v. alleen Egypte behandeld: de rest is nog te weinig bekend en voor de historicus toch van minder belang). In elke staat wordt de stand van het onderzoek uiteengezet, de verdeling der rassen beschreven, enkele vraagstukken besproken (in ons land b.v. de kwestie der gemengde groepen in Zeeland en West-Brabant) en vermeld wat omtrent de oudere tijden bekend geworden is. Dit deel vormt dus een schitterend handboek, dat den geschiedvorser de nodige gegevens verstrekt, wanneer hij de rassen in zijn beschouwing wil betrekken. Daartoe is anders thans nog weinig aanleiding, want te uitsluitend is nog alleen kennis genomen van de uiterlike, physiologiese kenmerken van het ras, de vraag of deze verschillen in lichaamsbouw ook psychologiese verschillen meebrengen

wordt nog niet gesteld, al kleedt Pittard zijn beschouwingen zo in, dat af en toe wel een dergelijk verschil verondersteld mag worden. In de toekomst zal de vraag geopperd moeten worden: Zijn de rasverschillen met een verschillende mentaliteit correlaat en zijn dus taal, godsdienst enz. bij hun overname door een ander ras gewijzigd of op een bepaalde manier opgenomen? Dan pas kan de geschiedenis een belangrijke rol in de kennis van rassen spelen en omgekeerd er veel voordeel van trekken, Moge een latere uitgave van dit werk ook hierin veel belangrijks kunnen brengen. Het zal dan wel een veel latere moeten zijn! E. v. G.

Kunstgeschiedenis. Berthold Haendcke, Der französisch-deutschniederländische Einfluss auf die italienische Kunst von etwa 1200 bis etwa 1650. No. 4 der Etudes sur l'art de tous pays et de toutes les époques. Strasbourg 1925. J. H. Ed. Heitz.

Dit boek geeft de verhouding weer van de kunst van de landen aan deze zijde van de Alpen tot Italië. De resultaten van het kunsthistorisch onderzoek op dit gebied in de laatste tientallen jaren zijn er in verzameld. De schrijver overziet zijn materiaal en komt tot het samenvattend oordeel, dat de Italiaansche kunst geen overheerschende plaats inneemt tegenover de andere kunstvoortbrengende landen van Europa. De kunstkenner vindt in Haendcke's boek althans voor de vroegere eeuwen voldoende bewijsstukken voor deze stelling, de geschiedkundigen zullen hem dankbaar zijn, dat hij het verspreide materiaal hiervoor heeft samengezocht. Wie de Italiaansche kunst grondig bestudeeren wil, zal voortaan dit boek niet kunnen ontberen, hoe zwaar en droog het ook geschreven is.

Op een plaats willen wij in het bijzonder de aandacht vestigen bij dezen tocht door 450 jaren Italiaansche kunst, n.l. op het gotische tijdperk. De waarheid, dat in de Middeleeuwen Europa door Engeland en Frankrijk onderwezen werd, niet door overblijfselen der Oudheid in Italië, is altijd nog te weinig bekend. Nicola Pisano is minder zelfstandig, dan men gewoonlijk aanneemt, zijn werk maakt deel uit van de antiquiseerende richting der Fransche Gothiek. De geheele z.g. Protorenaissance kan slechts begrepen worden in verband met de kunst van Frankrijk. Giotto is ongetwijfeld een hoogstaand genie, maar om hem geheel te begrijpen moeten wij er ons toch rekenschap van geven, dat hij in een tijd leefde en werkte toen de Fransche beschaving in Europa den toon aangaf.

In de XVde eeuw laat zich voor het eerst invloed van de Nederlanden op de Italiaansche schilderkunst gelden. In het begin van de XVIde eeuw sloeg het voorbeeld van Dürer's prenten in. Dan begint in de tweede helft van de XVIde eeuw de groote stroom van Nederlandsche kunstenaars naar Italië, men denke b.v. aan Giovanni Bologna.

Dat Italië zoo sterk voor invloed uit het Noorden ontvankelijk was, verklaart schrijver, doordat naar zijn meening, de noordelijke volken een realistische opvatting hadden van den vorm en een idealistisch gevoel voor de gemoedsaandoening, die de Italianen misten. Dit realisme bevrijdde Italië uit het formalisme van Byzantium en dit idealisme gaf nieuwen inhoud aan wat anders manierisme dreigde te worden. Hoe de kunst zich in Italië onder deze invloeden ontplooide, wordt nauwelijks door den schrijver aangeroerd, doordat hij er zich toe beperkt bewijsstukken voor zijn eenigszins eenzijdige stelling te verzamelen, waartegen van Italiaansch standpunt bezien wel het een en ander zou zijn in te brengen. F. en M. Hudig. 12

Tijdschrift voor Geschiedenis.

« PrécédentContinuer »