Images de page
PDF
ePub

gierigheid, onderzoekingslust en werkkracht van den schrijver legt zijn boek een getuigenis af, dat te dien opzichte een gaarne bewezen eerbied afdwingt.

Maar bij alle eerbied voor deugden blijft toch de qualificatie te handhaven. Wat is het doel en het nut van dit werk? Het geeft een uitvoerige genealogie der heeren van Wittem, die te zijner tijd en gelegenheid wetenschappelijken onderzoekers goede diensten kan bewijzen. Maar was daarvoor deze overvloed van pietepeuterige bijzonderheden noodig, die hoogstens in een vreemdelingengids voor Wittem en omstreken hun rendement zullen vinden? Wie dit boek voor een wetenschappelijk doel raadpleegt, zal bovendien goed doen door wat de Heer Mosmans over de oudste tijden der heerlijkheid Wittem mededeelt, met bijzondere voorzichtigheid te gebruiken. Hij ontleent zijn gegevens daarover voornamelijk aan de veertiende-eeuwsche kronieken van Jean d'Outremeuse, Hemricourt en Jan van Heelu, zonder hun opgaven critisch te toetsen aan het oorkondenmateriaal, en schijnt ook niet bij machte dat laatste aan een diplomatisch onderzoek te onderwerpen. Daarvan zou men hem geen verwijt behoeven te maken, indien hij zich maar aan de wijze les van Bresslau gehouden had, dat de historicus, wien de kennis der diplomatiek ontbreekt, zich door zaakkundige voorlichting moet laten leiden, wanneer hij bij zijn onderzoekingen op vraagstukken van oorkonden-critiek stoot. Anders verricht hij arbeid, die later toch weer overgedaan moet worden, omdat de noodzakelijke voorstudies nagelaten zijn. Onwillekeurig vergelijkt men deze studie van Limburgsche plaatselijke geschiedenis met het onderzoek van Professor Oppermann over de oudste oorkonden uit Kloosterrade en de Annales Rodenses (Publications de la Société historique et archéologique dans le Limbourg LVI (1920); ook in Rheinische Urkundenstudien I (1922) 295 vgg.). Dan springt terstond in het oog, hoeveel betrouwbaarder en belangrijker resultaten de straffe methode van den geschoolden vakman oplevert. Zij brengt verhelderend inzicht in verband en verhoudingen, terwijl de arbeid van den Heer Mosmans een compilatie van feiten zonder synthese gebleven is. D. Th. Enklaar.

Nieuwe boeken:

Ch. Seignobos, De Middeleeuwen (Histoire de la civilisation). Bewerkt door J. Romein, Zalt-Bommel, Wink. 337 bl. afb. f4.—.

De Broqua, Cola di Rienzo. 100 p. Champion. 30 fr.

A. Fliche,, La Réforme grégorienne. T. II. 460 p. Champion. 47 fr. J. A. Goris, Etude sur les colonies marchandes méridionales (Portugais, Espagnols, Italiens) à Anvers de 1488-1567. Uys Spruyst, Leuven. E. Male, L'Art religieux en France. Le 12e siècle. 460 p. 60 fr. Id. Le 13e siécle 428 p. 60 fr. La fin du Moyen Age. 512 p. 60 fr. Ill. Colin.

M. Bucher, Die Clausula de unctione Pipini, e. Fälschung a. d. J. 880. Eine quellenkrit. Studie, zugleich Beitrag z. Gesch. d. Karolingerzeit. Paderborn, Schoningh. 78 S. (Quellenfälschungen a. d. Gebiete der Gesch. I). 6 M.

J. Bühler, Die Hohenstaufen. Nach zeitgenoss. Quellen. Abb. 593 S. Inselverlag. 9 M.

Papsttum und Kaisertum. Forschungen zur polit. Gesch. u. Geisteskultur d. Mittelalters, Paul Kehr zum 65. Geburtstag dargebr. Hrsg. v. A. Bruckmann. Münchener Drucke. 707 S. 25 M.

F. Schneider, Rom und Romgedanke im Mittelalter. Die geistigen Grundlagen der Renaissance. Drei Maskenverlag. 309 S. 10.50 M.

H. J. Seeger, Westfalens Handel und Gewerbe vom 9. bis 14. Jh. Berlin. Curtius. 163 S. (Studien zur Gesch. d. Wirtschaft u. Geisteskultur). 5 M.

G. R. Golbraith, The Constitution of the Dominican Order, 1216-1360. Publications of the University of Manchester. Hist. series. XLIV. 302 p. Longmans. 12 s. 6.

IV. NIEUWE GESCHIEDENIS.

Een Fransch humanist uit de tweede helft van de zestiende eeuw. Pierre Ronzy, Un humaniste italianisant Papire Masson (1544–1611), XXVII+ 690 p. Bibliographie critique des œuvres imprimées et manuscrites de Papire Masson, par Pierre Ronzy. XIV + 157 p. Paris, Champion 1924. (Biblioth. de l'Inst. fr. de Naples, Université de Grenoble le ser. t. I, II).

Eene biographische studie van ruim 600 bladzijden in compressen druk, met talrijke noten, en nog omvangrijkere,,notes additionnelles" als aanhangsel, en daarbij eene bibliographie als zelfstandig boekdeel — we hebben hier wel te doen met een schrijver, een onderzoeker van meer dan gewone wilskracht en werkkracht. We vragen ons onwillekeurig af, of het onderwerp wel zulk eene behandeling waard is. De onderzoeker duidt zelf Masson aan als een ,,personnage qui n'est point de premier plan dans son siècle", maar hij laat volgen, dat zijn werk door de tijdgenooten zeer hoog werd gesteld, en een heel grooten invloed heeft gehad. De biographie, zooals Ronzy die opvat, is trouwens heel wat meer, dan eene schildering van het leven van dien éénen man. Zij is een stuk nationale geschiedenis, bijna een stuk wereldgeschiedenis. Zij bekijkt de geschiedenis anders dan een gewoon historiewerk; de lezer krijgt niet eene beschrijving van wat er is gebeurd, maar hij leeft in den persoon van den zestiende-eeuwschen humanist zelf de geschiedenis mede. Hij vindt zich verplaatst in een belangwekkenden, een grooten tijd. Wild woeden de godsdienstoorlogen en de politieke twisten, maar ondanks al de onrust is de zucht naar kennis wakker, de wetenschappelijke zin is werkzamer dan in eenig ander tijdvak. Rusteloos arbeiden de onderzoekers, verborgen en vergeten bronnen van kennis worden opgespoord, critisch geschift, en tot gemeengoed gemaakt voor studeerenden van alle landen.

De biograaf behandelt zijn stof volledig. Hij begint met de schets van het landschap Forez, waar de familie Masson, een koopmansfamilie, leefde, brengt den lezer vervolgens met den jongen naar diens oom te Lyon, die voor zijn opvoeding zal zorgen. Deze, Philibert Girinet, was humanist en dichter; onder zijn invloed ontwikkelt zich bij den jongen een kennelijke aanleg voor studie, die verder aangekweekt wordt op de Jezuïetenschool te Billom in Auvergne. Daarna zou hij in de rechten gaan studeeren te Toulouse, maar de godsdienstoorlog breekt uit in 1562 en maakt het land onveilig. Een vlaag van mysticisme trekt over de school te Billom; bij Masson en een paar kameraden rijpt op eens het besluit, om in de Jezuïeten-orde te treden, en voor het noviciaat naar Rome te gaan.

Voor zijn verdere ontwikkeling is deze lotswisseling beslissend ge

worden. In de Jezuïeten-orde heeft hij zijn plaats niet gevonden, maar het verblijf in Italië heeft hem gevormd tot den ,,humaniste italianisant" die ons verder wordt beschreven, en de mannen der historische wetenschap in Italië zijn hem tot voorbeelden geworden voor zijn wetenschappelijken arbeid.

In 1569 was hij in zijn land terug. Hij was,,régent de collége❞ d.w.z. leeraar aan het Jezuieten-collége te Parijs, maar hij bleef dat niet lang. Het was een gebeurtenis die opzien baarde, toen hij plotseling het collége verliet, en overtrad tot het Collége du Plessis, waar hij eene rede hield, die niet rechtstreeks tegen de Jezuieten-orde was gericht, maar toch den overgang duidelijk markeerde, en die door de Orde als een vijandige daad werd beschouwd en hem daarentegen de gunst verzekerde van den kring van het Parijsche parlement, waar de Jezuieten met geen goed oog werden aangezien.

Ook in het leeraarsambt vond Masson niet blijvend zijn taak. Kennismaking met den grooten jurist Baudouin drong hem tot de rechtsstudie, die hij te Angers voltooide, en die hem later eene vaste plaats bezorgde bij het Parijsche Parlement. In hoofdzaak is echter zijn verdere leven aan geschiedvorsching en geschiedschrijving gewijd. Een bestaan vond een studeerend en werkend geleerde toenmaals door zich onder bescherming d. i. feitelijk in dienst te stellen van een machtig en hooggeplaatst persoon. Zulk een beschermer vond hij in Cheverny, Kanselier van den Hertog van Anjou, den lateren Koning Henry III, en daarna ook van Henry IV.

Deze eigenaardige verhouding maakt, dat zijn werk van tweeërlei aard is, en de onderzoeker moet dit nauwkeurig in het oog houden. Van een historicus als Masson, in wiens werk de levensbeschrijving een groote plaats inneemt, zijn de elogia heel scherp te onderscheiden van de vitae. De lofredenen worden in officiëele opdracht, om niet te zeggen op last van machtige beschermers geschreven. De inhoud geeft dus vaak niet de meening van den schrijver weer; men zou de stukken kunnen vergelijken met ambtelijke rapporten van tegenwoordig, in opdracht vervaardigd. Zoo hebben we van Masson een elogium op Karel IX, en eene vita, na den dood des Konings geschreven. Het eerste is eene lofrede in letterlijken zin, waarin zelfs de Bartholomeusnacht als een goede daad geprezen wordt, maar in de levensbeschrijving wordt het leven en het karakter van den Koning met eene nauwkeurigheid en waarheid geschetst, die den persoon allerminst spaart.

Van de tallooze andere levensbeschrijvingen van Masson is vooral die van Calvijn van beteekenis. Sympathie met dezen grooten ketter heeft de katholieke schrijver allerminst; hij ziet in hem vooral den bewerker van de heftige verdeeldheid van de Fransche natie. Maar als nauwgezet geschiedschrijver doet hij de groote gaven van den man scherp uitkomen, en schuift hij met gestrengheid de gemeene lasterpraatjes die van katholieke zijde tegen hem waren verbreid, ter zijde, zoodat deze levensbeschrijving door een katholiek biograaf inderdaad een van de betrouwbaarste bronnen voor de kennis van den grooten hervormer is.

In de politiek zijn de sympathieën van Masson bij de Italianen en hun invloed in Frankrijk. Hij geraakt daarbij zelfs in een heftigen en vinnigen strijd tegen Hotman's Francogallia, waarin na den Bartholomeusnacht de Koningin-moeder en haar geheele aanhang van Italianen scherp en venijnig werd doorgehaald. De aanvallen over en weer ontaarden in de grofste persoonlijke beleedigingen. Masson vervalt echter niet in den allerlaagsten toon van zijn tegenstander.

In zijne hoofdwerken als geschiedschrijver weet Masson zich over 't algemeen boven persoonlijke gevoeligheden en scherpheden te verheffen. Zijne werken zijn inderdaad toonaangevend geworden voor de Fransche historiografie; men kan ze in een adem noemen met die van zijn vriend De Thou.

In 1577 verschenen de Annales Francorum, eene geschiedenis van Frankrijk van Clodion tot de troonsbeklimming van Hendrik II. Een modern Fransch geschiedschrijver acht den titel Annales voor zulk een werk minder juist, daar het geen jaar-aanteekeningen zijn, maar eene doorloopende,,Histoire". Maar zou niet het voorbeeld van Tacitus hier gewerkt hebben, die immers de beschrijving van vroegere tijden Annales, die van zijn eigen tijd Historias noemde? Hoe het zij, deze Annales vormen een keerpunt in de Fransche geschiedschrijving. Hoofdbeginsel is het streven, de juiste bronnen op te sporen en te volgen, en al wat op fantasie berust, op zijde te schuiven. Ongelooflijk is de hoeveelheid nieuw materiaal die Masson uit bibliotheken wist op te sporen, te schiften en voor zijn werk te gebruiken. Hij had bij die nasporingen in latere jaren de hulp van een jongeren broeder Jean Masson. Hijzelf had oorspronkelijk denzelfden voornaam iets dat ten onzent in de 16e eeuw ook voorkomt, en had ter onderscheiding later den quasiklassieken naam Papirius aangenomen, zoodat met Jean Masson steeds de jongere broeder wordt aangeduid. De samenwerking van beiden is blijvend geweest; Jean heeft na den dood van den begaafden ouderen broeder diens wetenschappelijke nalatenschap trouw beheerd, en nog tal van onvoltooide en onuitgegeven werken bewaard en in 't licht gebracht.

Keeren we tot de werken van Masson terug. Het belangrijkste is wel De episcopis Urbis, eene geschiedenis van de pausen, inderdaad eene geschiedenis van Italië, ingedeeld naar de reeks der pausen. In dit werk, in 1586 verschenen, volgt hij dezelfde methode als in de Annales. De feiten worden kort gegeven naar de betrouwbare bronnen. Wat onwaar bevonden wordt, zooals de fabel van de vrouwelijke paus Johanna, wordt onmeedoogend verwijderd. Het werk getuigt van een diepgaande kennis van al wat Italië betreft, en eene groote voorliefde voor dat land. Bij de pausgezinde katholieken kon het geen genade vinden, niet zoozeer omdat de schrijver de slechte pausen zonder verzachting aan de kaak stelt, als wel omdat hij zich als Gallicaanschgezind doet kennen, en aan de pausen niet de hooge macht toekent, waarop zij aanspraak maken. Reeds de titel De episcopis Urbis doet dit uitkomen.

Van zijn kennis van Italië en zijn liefde voor dat land getuigt vooral ook een werk dat tot de historiewerken mag worden gerekend, al heeft het in zijn opzet het karakter van de biografieën: de levens van drie groote Toscaners, Dante, Petrarca en Boccaccio (1587). Hij kende die schrijvers door en door, hun werken waren voor hem geschiedenisbronnen van den eersten rang. Petrarca vooral is door hem meer bestudeerd dan eenige andere schrijver, en in al zijn historiewerk tallooze malen aangehaald.

Een heel bijzonder biografisch werk is het leven van Lucius Titius: Vita Lucii Titii apud jureconsultos celeberrimi viri. Ex Pandectarum libris recens aedita" (1597). Het is eene ernstig doorgezette parodie op de eigen historisch-biografische methode van den schrijver. Lucius Titius is een denkbeeldig persoon; in alle voorbeelden van rechtsquaesties in de Pandecten wordt deze naam gegeven aan de optredende partij. Masson heeft nu gedaan alsof al die feiten ernstig te nemen

waren, en er het leven van den man uit opgebouwd; hij gaat na, waar hij geboren is, wie zijn ouders waren, welke namen en bijnamen hij heeft gedragen, welke ambten hij heeft bekleed, voor wie hij curator of voogd is geweest, welke rechtshandelingen hij in zijn leven heeft verricht, wie zijn kinderen en aangetrouwde kinderen waren, zijn uiterste wilsbeschikkingen, zijn ziekte en dood en zijn nalatenschap. Ronzy noemt het werk,,un chef-d'œuvre d'humour, d'enjouement et de malice." De schrijver van dit boek (67 pag.) was zeker, zooals De Thou hem beschrijft ,,hilari et expedito ingenio."

Het zou onmogelijk zijn, alle belangrijke werken van Masson hier aan de hand van Ronzy te bespreken; de Bibliographie beschrijft op 151 bladzijden 133 werken, geschrevene en gedrukte. Vestigen we liever tot besluit de aandacht op Massons laatste levensjaren. Hij bracht die door in zijn werkkamer, oud en gebrekkig, met verlamde beenen, maar altijd werkende en schrijvende, bijgestaan door zijn vrouw en zijn broeder Jan. Zoo zat hij daar tusschen zijn schatten van wetenschap, die hij niet enghartig voor zich zelf hield, maar waartoe ieder ernstig onderzoeker toegang had. Hij had vrienden in alle landen, en dezen stuurden jongelieden die op hun studiereis Parijs bezochten, geregeld tot hem, om met den beroemden geleerde kennis te maken. Zij hadden dan vrij toegang tot de boeken en handschriften, en getuigden vaak nog jaren daarna van den onuitwischbaren indruk van dat bezoek. Het boek van Ronzy is niet slechts groot van omvang, maar wezenlijk rijk van inhoud. C. P. Burger Jr.

De godsdienstoorlogen in Frankrijk. Félix Rocquain, La France et Rome pendant les Guerres de Religion. Paris, Champion, 1924. XX en 554 blz.

Over dit lijvige boek kan ik kort zijn, wanneer het er om gaat de waarde te bepalen: niet veel nieuws en van geen nieuw standpunt bekeken. Het is zeker een goed gedocumenteerde geschiedenis van de franse godsdienstoorlogen vanaf de regering van Hendrik II tot aan de vrede van Vervins. De uitvoerigheid kan men zelf beoordelen, wanneer men op het aantal bladzijden let en nog weet, dat het zeer sterk uitsluitend georiënteerd is op de hoofdpersonen en weinig vertelt van de massale onderstromingen, die misschien juist hier de geschiedenis nog veel meer beheersen dan in een oorlog van land tegen land. Zelfs deze hoofdpersonen zijn nog niet met grote scherpte omlijnd noch hun daden met duidelikheid in de gebeurtenissen van 't land gedemonstreerd. Welk een matheid in de eerste hoofdstukken over het groeiende conflict, als men deze bladzijden legt naast die van Madelin in de,,Historie politique de la France" II, ook hier alleen de hoofdpersonen, maar hoe leeft in elk een hele partij, hoe ontwikkelt zich daar de spanning die leiden moést tot een botsing, een botsing eerst van grote partijen, waarin een leider meegesleurd wordt en later van de leiders, waarin het hele volk wordt opgenomen! Bij Rocquain slechts de personen van Catharina de Medici en later Hendrik IV, die vlak achter het voetlicht staan en bij wie dus alle licht- en schaduwplekken veel te sprekend zijn, en helemaal tegen de coulissen al die anderen, de Guises, de Coligny, de Montmorency, Andelot en vele tientallen, die slechts schimmen zijn, ja beter nog, als op 't oude toneel: zij komen een ogenblik naar voren om hun rolletje te zeggen, om dan weer dadelik te verdwijnen, een ogenblik, dat zij aan 't hof van invloed waren! Verder niets: geen partijprogramma's, geen aanduiding zelfs van de wensen der Hugenoten, van hun houding tegenover de regeering en

« PrécédentContinuer »