Images de page
PDF
ePub

door de Compagnie dus groote waarde gehecht worden. Het kantoor Agra diende vooral tot inkoop van de indigo, die in Bayana, een plaatsje op geringen afstand van Agra, in bijzonder goede kwaliteit te krijgen was. Met groote voorliefde wordt dan ook door Pelsaert deze teelt tot in bijzonderheden beschreven. Een lichte overschatting van het kantoor, waar hij opperkoopman was en een zekere jalouzie ten opzichte van 't kantoor Suratte en de Koromandelkust mogen den schrijver vergeven worden.

,,Jahangir's India" is de hoofdtitel, dien de uitgevers aan Pelsaert's werk gegeven hebben. En terecht. Want ,,essentially a commercial report", zooals de Introduction zegt, kan het toch niet goed genoemd worden. Minstens de helft bestaat en gelukkig voor den historicus! -uit uitweidingen omtrent den persoon en het rijk van den grootmogol Jahangir. De Remonstrantie geeft ons tal van teekenende bijzonderheden over dezen onwaardigen opvolger van Akbar, die overheerscht wordt door zijn vrouw en haar broer Asaf Khan, zichzelf onledig houdt met de jacht en het verzamelen van allerlei curiositeiten, die Engelschen of Nederlanders hem willen brengen, en in het heete jaargetijde naar het koele Kashmir trekt, omdat, zooals Pelsaert zegt, zijn lichaam brandt als een oven door overmatig drinken en opiumgebruik. Hij ziet kalm aan, dat het volk onderdrukt wordt door zijn edelen en ambtenaren. De eersten denken er alleen aan, zichzelf te verrijken; ze leven in onbeschrijfelijke overdaad, leggen parken aan en bouwen paleizen, die na hun dood al even snel weer vervallen, omdat niemand ernaar omziet. Vraagt men hun, aldus Pelsaert, waarom ze zich voortdurend op het verzamelen van schatten toeleggen, dan is hun antwoord, dat de roem van een overledene wordt afgemeten naar de grootte van zijn nalatenschap. Pelsaert, die, mag men hem gelooven, dikwijls als moralist optreedt en hen wijst op de veel waardiger roeping, van hun rijkdommen aan de armen mee te deelen, vindt hierop bitter weinig gehoor. En de ambtenaren, die billijk recht behoorden te spreken, zien we als verslindende wolven voorgesteld, die den armen het brood uit den mond nemen, en bij wie men alleen tegen contante betaling op eenige clementie kan rekenen.

Onder zulke omstandigheden is het leven van de werklieden weinig beter dan slavernij: karig voedsel, woonkrotten van aarde met rieten dak, als eenig huisraad een paar bedden en eenige aarden potten, als brandstof gedroogde koemest, waarvan de verstikkende rook zich door 't heele vertrek verspreidt, ziedaar hun treurigen toestand. Ook de landbouwers hebben een zorgelijk bestaan. Van April tot Juni kan door de verzengende hitte niet gewerkt worden. Gloeiende winden maken het leven ondraaglijk en woelen den zandigen bodem bij tijden zoo op, dat het zonlicht erdoor verduisterd wordt. Zwermen sprinkhanen kunnen soms den indigo-oogst totaal doen mislukken.

Telkens verbaast Pelsaert zich over de onderworpenheid van de vrouw, zoowel bij armen als aanzienlijken. Laten de vrouwen in ons land, wanneer ze dit lezen, toch dankbaar zijn voor het lot, dat haar een zoo groote mate van vrijheid gegeven heeft, zoo roept hij uit. Met bewondering en verbazing vertelt hij van de weduwenverbranding, die soms uit vrijen aandrang geschiedt, zooals hij uit eigen aanschouwing kan getuigen.

Aan het slot lezen we allerlei bijzonderheden over de ,,afgoderij" van Islam en Hindoe-godsdiensten. Over de laatste verklaart Pelsaert evenwel zelf zijn incompetentie, wegens het groote aantal goden en gedaanteverwisselingen en de veelheid der sekten, die hij aantreft, welke een

eenigszins volledige en juiste beschrijving onmogelijk maken. Maar allerlei bijzonderheden, die hem merkwaardig schijnen, deelt hij mee. Met een beschrijving van Mohammedaansche huwelijksgebruiken in Agra, die eer aan amusementslectuur voor het weetgierige publiek doet denken dan aan nuttige informatie voor de bewindhebbers, eindigt de Remonstrantie.

,,In providing footnotes the aim has been to give the minimum necessary to understand the text", lezen we in de Introduction. De heer Moreland, voor wiens rekening de noten komen, heeft zich hieraan, met vermijding van illustratieve of bevestigende citaten van gelijktijdige schrijvers, strikt gehouden. Te strikt misschien? Bij een aantal plaatsen zouden we gaarne een noot hebben of ter nadere opheldering of om te wijzen op blijkbare onjuistheden van Pelsaert. Zoo is mij op p. 84 niet recht duidelijk, welke drie verschillende soorten huwelijksgebruiken Pelsaert op 't oog heeft, als hij zegt:,,What I have described is the Hindustani custom, but Moguls, and also Hindus, have different ceremonies". Verder wordt op p. 1 de breedtegraad van Agra onjuist als 28° 45′ opgegeven. Op p. 30 plaatst Pelsaert Multan aan de Ravi, terwijl deze reeds ten Noorden van Multan in de Chenab uitkomt. Op p. 40 is Pelsaert onduidelijk bij de opsomming van het aantal schepen, dat in vroegeren tijd jaarlijks door den groot-mogol naar Atjeh, Bantam, Macassar en de daarbij liggende streken gezonden werd. schijnt mij, dat de vertalers een onjuistheid begaan hebben op pag. 14: De Engelsche vertaling heeft:,,the indigo is brown rather than violet", terwijl blijkens noot 2 op deze pagina de drie laatste woorden bedoelen weer te geven het origineele:,,uyt den violetten". Veeleer zal de beteekenis van dit laatste zijn: met een violetten schijn. In 't algemeen echter geven de noten precies, wat er noodig is en getuigen ze van groote kennis en belezenheid.

Het

Maar er bestaat mijns inziens een groot bezwaar tegen deze uitgave als wetenschappelijk werk. Waarom, zoo vraagt men zich af, geven de heeren Moreland en Geyl niet naast den Engelschen ook den origineelen Hollandschen text, al was 't maar in den vorm van een doorloopende klein gedrukte noot? Niet alleen ieder Nederlandsch historicus maar ook menig serieus Engelsch onderzoeker zal den Hollandschen text bij zijn studiën onontbeerlijk vinden. Dit springt te meer in 't oog, waar het origineel plaatsen bevat, die verre van duidelijk, dus allerminst met zekerheid te vertalen zijn. Zoo vinden we op p. 68, op p. 76 en op p. 83 telkens de waarschijnlijke beteekenis van een duistere plaats gegeven, terwijl de origineele text van deze plaatsen er niet bij gegeven is! Evenmin kan ik ervoor gevoelen, dat in 't hoofdstuk,,Moslem marriages in Agra" een passage,,slightly condensed" (p. 84 noot 2) wordt weergegeven, waarschijnlijk omdat de volledige text onwelvoeglijk geacht wordt. En ten slotte: gegeven nu eenmaal, dat het niet in de bedoeling van de bewerkers lag, den Hollandschen text te geven, zou het dan niet een kleine moeite geweest zijn, althans de foliëering van 't origineel in margine aan te geven? Dan had althans de onderzoeker die bijzondere punten op 't Rijksarchief nader wilde verifiëeren, met meer gemak de betreffende plaatsen gevonden.

Maar onder voorbehoud van bovenstaande opmerkingen is deze uitgave een zeer welkome aanwinst èn voor de Compagnie's geschiedenis èn voor de kennis der toestanden in het rijk van den groot-mogol. De Engelsche vertaling als zoodanig is vlot en vloeiend en laat op vele plaatsen nog den frisschen en sappigen oud-Hollandschen schrijftrant van Pelsaerts origineele stuk doorschemeren. H. Terpstra.

Hugo de Groot. J. Kosters, Het jus gentium van Hugo de Groot en diens voorgangers; C. van Vollenhoven. On the genesis of De iure belli ac pacis (Grotius, 1625). Mededeelingen der Koninkl. Academie van Wetenschappen, afd. Letterkunde, Deel 58, Serie B, nos. 4. (p. 71— 87) en 6 (p. 129-155), Amsterdam. 1924.

Naar aanleiding van het anniversarium van Grotius,,De iure belli ac pacis", alom als een groot moment in de geschiedenis van het internationalisme en het recht herdacht, hebben ook twee leden van de Kon. Academie zich laten horen. De een, Dr. Kosters, door een kleine verhandeling te wijden aan het jus gentium, de grondslag van het beroemde werk. De meeste schrijvers gaan uit van het natuurrecht, rechtstreeks van goddelike oorsprong en met noodwendigheid uit de natuur voortvloeiend. Hieruit ontstaat na de zondeval, een tweede recht, waarvan nuttigheid in de verdorven toestand het richtsnoer is. Dit recht is tweeledig: het aan alle volken gemene jus gentium, ongeschreven recht (geidentificeerd met het romeinse jus gentium), en het in elke staat door de overheid tot stand gebrachte (voor vele volken vaak gelijke) jus proprium of civile, geschreven of ongeschreven. Het eerste, het eigenlike jus gentium berust op de menselike rede en is door wilsovereenstemming van allen geschapen en is positief recht. Verschillende opvattingen hieromtrent worden kort besproken, waarna vooral langer wordt stilgestaan bij Suarez' werk van 1612:,,Tractatus de legibus ac Deo legislatore", dat een omkeer brengt in de beschouwingen, doordat het breekt met het oude romeinse jus gentium, dat een bonte mengeling van objecten vertoont en dus deels jus civile, deels jus gentium is. Suarez maakt het eerst een onderscheid tussen het eigenlike volkenrecht, dat op het gehele mensdom betrekking heeft en op de wilsovereenstemming der volken berust, en datgene, door hem ook nog jus gentium genoemd, wat door elke staat afzonderlik ten eigen nutte, zij het dan vaak voor allen op dezelfde wijze, wordt vastgesteld. Vergelijken wij nu hiermee De Groots gedachten, dan moet een zeer grote overeenkomst in beider uiteenzettingen geconstateerd worden, het voornaamste verschil is, dat de Delftenaar scherper nog natuurrecht en jus gentium onderscheidt en dat hij de tweede soort jus gentium van den Spanjaard jus civile noemt, alleen de eerste als volkenrecht beschouwt. Is De Groot hierin niet of wel oorspronkelik? Dr. Kosters durft het niet beslissen. Toen hij zijn,,De iure belli ac pacis" schreef kende hij Suarez' werk zeker, maar in zijn veel ouder,,De iure praedae” (1605, pas in 1846 uitgegeven) komt dezelfde gedachtengang voor...... op een los ingevoegd blad! Volgens Fruin is dit blad niet jonger dan eind 1608 en dus vier jaren ouder dan Suarez' Tractatus, maar dat is slechts een gissing, het blijft verwonderlik, dat de zó belangrijke verandering in opvatting ongeveer tegelijkertijd in het jeugdige brein van De Groot en het bejaarde hoofd van Suarez zou zijn opgekomen!

De vraag naar oorspronkelikheid is ook het thema van Prof. Van Vollenhove, maar op een ander terrein en hij beantwoordt haar steeds ten gunste van De Groot. 1. Zijn conclusies zijn deze: niet te Balagny s. Thérain in 1623, maar in Parijs in 't najaar van 1622 was hij reeds aan zijn werk bezig; 2. Peiresc, de Maecenas uit Aix-en-Province, heeft hem niet tot schrijven gebracht, maar hoogstens de voltooiing van het werk bespoedigd door aanmoediging en vooral 3. De Groot heeft niet de grondgedachte van zijn werk gevonden in of geput uit,,Le nouveau Cynée" van Emeric Crucé (1623). Er is tussen hen te weinig overeenkomst: slechts één enkel deeltje van De Groots werk vertoont enige uiterlike overeenstemming, maar dat speelt in zijn boek slechts een zeer

ondergeschikte rol. Ten slotte moet Knights opinie, dat Grotius zijn boek schreef om zich een plaats in de diplomatie te verschaffen en dus in de gunst bij de monarchen te komen, geheel van de hand gewezen worden: het is eerder een aanval op de vorsten van toenmaals. Een aantal bewijsplaatsen uit brieven etc. besluiten de verhandeling. E. v. G.

Een Nederlandsch filosoof. Dr. L. Brummel, Frans Hemsterhuis. Een Philosophenleven. Haarlem, Tjeenk Willink. 1925. 328 p.

Deze uitvoerige studie van Hemsterhuis' leven en werken voorziet, zoo al niet in een behoefte, dan toch in een leemte die verdiende aangevuld te worden. Naar aanleiding van Huizinga's ,,Erasmus", is de treffende opmerking gemaakt, dat het tot 1924 heeft moeten duren, aleer een onzer grootste figuren een Nederlandschen biograaf gevonden had, niet alleen zijner waardig, maar dat zelfs überhaupt eerst toen een landgenoot kwam, die zijn leven en werk om hunzelfs wille beschreef, lang nadat Franschen en Engelschen waren vóórgegaan. Een tweede, minder treffend, maar toch nog opmerkelijk voorbeeld van dit gebrek aan waardeering - of moeten wij zeggen van dit gemis aan combinatie van literaire en wetenschappelijke gaven, die de biografie vereischt? een tweede staal van dit tekort in elk geval bij tijdgenoot en nageslacht ten opzichte van belangrijke Nederlanders in hun eigen land vindt men in het geval-Hemsterhuis (zie pg. 1-23 vgl. 258-262). Hier waren Franschen en vooral Duitschers vóórgegaan. De Haagse filosoof trof het trouwens dubbel slecht: de eeuw waarin hij leefde was tot voor kort het stiefkind der Nederlandsche historiografie. En hier is het nu een leerling van Huizinga, die tot correctie van dit gebrek en om de verwaarloozing goed te maken het zijne deed. En het deed op een manier, die men van een leerling van Huizinga verwachten mag: volledig, nauwkeurig, maar steeds zóó, dat volledigheid en nauwkeurigheid middel bleven tot het doel: het afwegen dier imponderabilia - als men deze contradictio in terminis wil doorlaten waarmee de beschavingsgeschiedenis nu eenmaal als met haar object in de eerste plaats heeft te rekenen. Opmerkingen als die over het Haagsche milieu in de 18de eeuw (p. 50) met zijn,,onnationale sfeer", de vóór- en nadeelen daarvan en hun beteekenis voor een figuur als Hemsterhuis, zijn van die methode goede voorbeelden. Men zal ze niet zoo gemakkelijk elders vinden. Alleen iemand, die meer is dan een,,kenner" van het verleden al blijft het kennen onmisbare voorwaarde alleen iemand, die het verleden ook ,,aanvoelt", kan zulke opmerkingen maken. Dit zijn geen dingen, die men,,leeren" kan noch onderwijzen: men kan alleen bij een ander de sluimerende,,historische intuïtie" wekken en dat Huizinga dat kan bewijst o.a. dit proefschrift.

Zijn eigenlijke beteekenis ontleent dit boek, meen ik, dan ook niet aan het feit, dat het den schr. eindelijk gelukt is, na de vergeefsche pogingen van zijn voorgangers, om tot de z.g. Münstersche verzameling door te dringen, die het grootste gedeelte 1200 brieven - der correspondentie tusschen Hemsterhuis en prinses Gallitzin bevat (p. 16). Want, waar het ook Dr. Brummel niet vergund kon worden er afschriften van te maken (in verband met een voorgenomen publicatie) ligt de veronderstelling voor de hand, dat het boek er nog wat anders uitgezien zou hebben, indien het Münstersche materiaal hem volledig ter beschikking ware gesteld.

Ik voor mij althans zoek zijn beteekenis liever in de wijze van behan

deling, in wat ik boven de ,,historische intuïtie" noemde, die den schr., gesteund door een toch reeds zeer omvangrijk materiaal in staat stelde een werk te leveren, dat de noodige correcties in onze voorstelling aanbrengt inzonderheid wat Hemsterhuis',,humanisme" betreft, dat door de Duitschers tegenover zijn romantische elementen verwaarloosd werd, een correctie, die ons oordeel over het ontstaan van de heele romantiek min of meer verschuift. Een werk, dat bovendien de toch altijd wat schrale, wat studeerkamerachtige figuur van Hemsterhuis vrijwel uitput, zoodat wie van dezen 18den eeuwschen eenzamen wijsgeer op de hoogte wil komen, nog jaren lang in het boek van Dr. Brummel alles zal kunnen vinden wat hij zoekt.

Als ik een aanmerking moest maken, zou het er een zijn van literairen aard. Niet dat het niet goed geschreven zou zijn. Integendeel, het ware te wenschen dat de Nederlandsche historiografie zich over het algemeen op dit stilistisch niveau bewoog, wat in de verte niet het geval is. Mijn aanmerking geldt de compositie in engeren zin. Dr. Brummel bouwt niet zooals de ideale biografie naar mijn meening moet doen — met den lezer samen de behandelde figuur brok voor brok op, zoodat wij als het ware het leven van den beschrevene méé leven en gaan begrijpen, dat het niet anders verloopen kon, dan het verloopen is, doch hij veronderstelt zijn,,held" van de eerste bladzijde af bekend, zoodat onze belangstelling bij het lezen van het eigenlijk biografisch gedeelte (p. 23-227) dreigt te verslappen, omdat haar de gelegenheid onthouden wordt te stijgen; dubbel gevaarlijk bij iemand als Hemsterhuis, wiens uiterlijk leven voor onze belangstelling toch al zoo weinig aanknoopingspunten biedt. De schr. had in dit opzicht méér van Huizinga kunnen leeren, dan hij in ander opzicht deed. Żwaar is hem die fout, als men het een fout wil noemen, intusschen niet aan te rekenen. Een goede biografie te schrijven, die er zich toe leent aan ideale maatstaven te worden gemeten, is, ook al voldoet zij er dan niet ten volle aan, een prestatie, waarover men zich dubbel verheugen moet, wanneer het, als hier, een eersteling geldt. J. Romein.

Nieuwe boeken:

P. J. Blok, Frederik Hendrik, Prins van Oranje. Geill. N. Beets. Meulenhoff f8.-. (Ned. hist. bib. XIII).

J. G. van Dillen, Bronnen tot de geschiedenis der wisselbanken (Amsterdam, Middelburg, Delft, Rotterdam). 2 dln. 1435 bl. R. G. P. Nijhoff, f 15.50.

Y. Z. Dubosq, Le livre français et son commerce en Hollande de 1750 à 1780. D'après des documents inédits. A'm. Paris. 166 bl. ƒ 3.25. A. Eekhof, Jonas Michaelius founder of the church in New Netherland. His Life and work. 164 bl. m. pln. en fs. Sijthoff. f 10.—.

S. Elzinga, Het voorspel van den oorlog van 1672. De economischpolitieke betrekkingen tusschen Frankrijk en Nederland in de jaren 1660-72. Tj. Willink, Haarlem. 311 bl. f 4.50.

P. Leendertz Jr., Het Wilhelmus van Nassouwe. Met verkl. en hist. toel. Thieme. 117 bl. f2.75.

W. J. A. de Leeuw, Het Painansch contract. Amst. diss. Paris. 95 bl. J. Loosjes, Lutherschen en Remonstranten in den tijd van de Dordtsche Synode. Oratie. Nijhoff. 28 bl. ƒ0.80.

A. H. Martens van Sevenhoven, Het archief van de Geldersche rekenkamer, 1559-1795 en van de commissarissen belast met het beheer der domeinen, 1543-1559. Landsdrukkerij. 2 dln. 588 en 359 bl. ƒ 10.-.

« PrécédentContinuer »