Images de page
PDF
ePub

in 't volle licht der Romeinsche historie treden; en evenals Grieken en Egyptenaren hebben de Germanen daarna een feodaal tijdperk gekend; tijdens de feodaliteit draagt de structuur van het volkerenleven een hiërarchisch karakter; als de steden opkomen, worden deze wel in het hiërarchisch verband opgenomen; ten slotte zullen zij dit breken.

Kenmerkend voor het patriarchaat is de ongedifferentieerde inrichting van de gemeenschap; vaderlijke en vorstelijke macht zijn ononderscheiden. De kinderen blijven onmondig en komen aan burgerlijke vrijheid nauwelijks toe. In het feodale tijdperk is er geen scheiding tusschen privaat en publiek recht: over landstreken wordt door vorsten als over privaat vermogen beschikt. De eene Fransche koning,,erft" Bourgondië en een volgende schenkt het aan een geliefden zoon.

De M. E.sche samenleving, de Staat en de Kerk, zijn hiërarchisch geordend. Er is een betrekkelijke vrijheid voor beheerschten, die op hun beurt ook weer heerschers zijn; de onaantastbaarheid van hun vrijheid of soevereiniteit wordt door de ridders beseft als hun eer. Dezelfde hiërarchische gedachte beheerscht het Gothische bouwwerk, waar ieder dragend onderdeel toch weer door eigen ornament bekroond wordt, symbool van soevereiniteit in eigen kring.

In de dogmatiek, in de scholastiek: ook daar viert de hiërarchische gedachte hoogtij. En zoozéér beheerscht deze den tijdgeest, dat keizer en paus, als beheerschers der wereldlijke en geestelijke hiërarchie, elkander slechts in hiërarchische verhouding kunnen dulden: en op leven en dood strijden om de plaats op den top der Europeesche hiërarchie. 't Duitsche rijk en de pauselijke macht gaan hier aan te gronde. Na 1300 komt met de ontbinding der hiërarchie, die der hiërarchische gedachte. Overal zien we uiterlijke gebondenheid verbreken door innerlijke ervaring, overdenking, gevoel. De hiëratische figuren verdwijnen uit de kerkelijk kunst, de mystiek verovert de gemoederen, de dogmatiek wordt voorshands niet ontkend, maar de belangstelling richt zich op 't gevoelvol beleven der goddelijke heilsgeschiedenis, niet op haar dogmatische beredeneering. En tegelijk wordt de hiërarchie der standen fel gekritiseerd door Wyclif in Engeland, door Maerlant in de Nederlanden.

In de jaren, dat de M. E.sche hiërarchie nog in vollen luister heerscht, begint er in sommige volkeren een verzet tegen uiterlijk gezag op te leven en een pogen om in vrijheid eigen samenleving te ordenen. Engeland is hierin voorgegaan: in de Clarendonsche artikelen van 1164 wordt het recht op nationale zelfbepaling tegenover den Paus al uitgesproken. Tegenover den Vorst handhaaft het Engelsche volk zijn recht op vrijheid in de Magna Charta. Aan vrijen en hun erven wordt

onverkort 't recht op erfenissen toegekend, eveneens de vrijheid tot 't aangaan van een huwelijk. Aan niemand mag recht worden verkocht, geweigerd of uitgesteld. Zoo is hier 't recht op persoonlijke vrijheid, op bezit, op recht erkend en tevens aan 't Parlement, dus aan 't volk het toezicht hierover opgedragen: hier begint dus de zelfregeering, de vrijheid aanvankelijk als een vóórrecht, als privilege, als een verweer tegen de vorstelijke macht en willekeur.

De M. E.ers hebben geleefd in den waan der vaste verhoudingen en der eeuwige waarheden: er is geen sprake van principieel gestelde vrijheid. Daarom ook hebben de M. E.ers zoo lang vastgehouden aan de vorm hunner maatschappelijke en geestelijke instellingen, toen deze hun onhoudbaarheid en verval al duidelijk openbaarden.

Temidden dezer ontbinding van feodaliteit en gildewezen, van dogmatisch geloof en kerkelijke hiërarchie (op een oogenblik waren er drie pausen), breekt zich een nieuwe wereld- en levensbeschouwing baan. Hadden de M.E.ers het ascetisme als levensideaal gehuldigd, de renaissance komt op voor het vrije uitleven zonder kerkelijken, geestelijken of ascetischen dwang. Het ideaal wordt de veelzijdig ontwikkelde mensch en dit levensideaal verwerkelijkt zich in de levensvoering der Renaissance-menschen, het straalt ons tegen uit hun beeldende kunst, uit hun dicht- en prozawerken. En zij stellen den eisch van gewetensvrijheid, van vrijheid van denken. Met de Hervorming komt de vraag aan de orde van de vrije uitoefening van eigen geloof: de eisch van subjectieve, van innerlijke vrijheid wordt er dan een van objectieve, van werkelijke vrijheid. Maar het resultaat is bedroevend: geloofsvrijheid is in de 16de eeuw wel afgekondigd in Polen, maar in Duitschland en Frankrijk bleef het bij een compromis: voor de religie van den vorst wordt in zijn land vrije uitoefening toegestaan, in Frankrijk was de vrijheid tot bepaalde plaatsen beperkt. In de Nederlanden was de vrijheid van godsdienst slechts oogluikend toegestaan. Dit zijn de poovere resultaten van een grootschen strijd voor vrijheid van geweten en godsdienst. In dienzelfden tijd zien we strijd voor nationale vrijheid (Zweden en Nederland), voor vrijheid van handel en verkeer (mare liberum).

Maar er wordt bewust gestreden voor vrijheid temidden van veel gebondenheid, schoon een andere gebondenheid dan die der M. E.ers. Het protestantisme ontaardt ras tot dogmatisme en onverdraagzaamheid. Een harde strijd met het ultramontanisme ontbrandt, waardoor de vrijheid der Renaissance in Italië, Spanje, Oost-Europa en België gedood wordt en in Frankrijk verwrongen wordt tot de Renaissance van de Grand Siècle. En hier temidden van de gebondenheid der hofcultuur bloeit het merkwaardig stoïcijnsche vrijheidsideaal op, dat

Corneille's helden en heldinnen bezielt. Het is het ideaal der innerlijke vrijheid, die in de moeilijkste omstandigheden, haar onaantastbaarheid weet te doen eerbiedigen; een innerlijke onaantastbaarheid, want van deze helden is niet het streven om de wereld naar eigen ideaal te hervormen. Ze streven er naar om eigen hartstochten,,redelijk" te beheerschen: zoo zijn ze, wat ze willen zijn. En in deze abstracte vrijheid vinden ze vrede.

Maar de ware vrijheid werd doodgedrukt tusschen protestantsche en ultramontaansche onverdraagzaamheid in de opkomende absolute monarchie, en wie met vrijheidsillusies den harden strijd hadden aangebonden, konden met weemoed en bitterheid den ouden strijd en de nieuwe onverdraagzaamheid herdenken als de oude Josine 1), die in haar jeugd den zwaren vrijheidsstrijd beleefd had met de gouden idealen eener libertijnsche verdraagzaamheid en op haar ouden dag haar zoon als Arminiaan ziet opjagen. Waren haar vader en zijn vrienden onwetende voorbereiders eener nieuwe tirannie, eener nieuwe inkwisitie geweest? Wie deze hoogere vrijheidsgedachte, de libertijnsche opvatting, huldigden, werden niet geduld: Coornhert, Hugo de Groot, Oldebarneveld hebben dat aan den lijve ondervonden.

Deze gedachte in de 16de eeuw reeds geformuleerd, zou eerst in de 18de eeuw dóórwerken en zegevieren in het afgetrokkene; nu in de 20ste eeuw werken we nog steeds aan hare verwerkelijking in de staatsinstellingen.

Met dat al zijn de Amerikaansche en de Fransche grondwetten met hun déclarations des droits, de l'homme een onmiskenbare vooruitgang, wat betreft vrijheidsverwerkelijking theoretisch èn practisch.

Wijsgeerig valt er op dit staatsstuk 't een en ander aan te merken: zoo is de definitie van ,,vrijheid" n.l. om alles te mogen doen wat een ander niet schaadt, louter negatief. De vrijheid wordt hier opgevat als gebreidelde willekeur. Maar een grondwet is geen samenlevingsphilisofie! Van belang zijn de beginselen, hier als normen van het staatsleven gesteld: zelfbepaling in bestuur, wetgeving en belastingheffing, daar alle gezag in beginsel bij de natie berust. De vrijheid en gelijkheid der burgers wordt geproclameerd, de wet als de algemeene wil der burgers begrepen en de vrije uitwisseling van gedachten en meeningen als 't kostbaarst recht gewaarborgd. Niemand mag wegens godsdienstige en andere opvattingen verontrust worden, mits zijn uitingen de publieke, wettelijk geregelde orde niet storen. Voorts zijn er nog de

1) P. H. van Moerkerken, In den lusthof Arkadie, bl 56-58.

oude waarborgen van zakelijken aard in opgenomen, die we al in de Magna Charta aantroffen over onteigening en hechtenis.

Wel bleek de gelijkheid door censuskiesrecht, door eenzijdig mannenkiesrecht van betrekkelijken aard, maar in den loop van de volgende eeuw is ook dit in taaien politieken strijd veroverd in vele Europeesche staten. In België zal het nog strijd kosten om na 1830 de gelijkheid der godsdiensten voor de wet in de grondwet op te nemen; de scheiding van kerk en staat wordt in Frankrijk pas in de 20ste eeuw een voldongen feit.

Ieder is, behoudens bekwaamheid en geschiktheid, benoembaar tot alle ambten, allen zijn gelijk voor de wet; maar de ongelijkheden van het maatschappelijk leven worden klakkeloos aanvaard. Van recht van het kind op onderwijs en opvoeding wordt niet gerept, van recht op arbeid, een menschwaardig bestaan en medezeggingschap in 't bedrijf, van de rechten der vrouw wordt niet gewaagd.

Zoo zijn vrijheid en gelijkheid abstract gesteld en niet ten volle verwerkelijkt in de Europeesche staatsregelingen naar revolutionnair model.

Van twee zijden komt er in de 19de eeuw kritiek en verzet tegen deze fondamenteele wetten: van reactionnaire zijde en van sociaal-revolutionnairen kant.

De conservatieven stellen tegenover het abstracte vrijheidsbeginsel de waardevolle, concrete historische rechten en verhoudingen. Zeer zeker levert het verstandelijk, schematiseerend opbouwen van een volksgemeenschap, een tekort: ten eerste is het beginsel van het tellen der stemmen, van het beslissen der helft + 1, zonder verder eenige acht te slaan op wenschen en belangen der helft 1, quantitatief en mechanisch; al was het, na de bevoorrechting van twee der drie standen en de heerschappij van den absoluten vorst, onmiskenbaar een vooruitgang. Het breken met de indeeling in historisch gegroeide gewesten door meetkundige, in plaats van natuurlijke grenzen, is te verklaren uit het willen breken met provincialisme; op zichzelve is dit onnatuurlijk; maar daarom nog niet geestelijk. De godsdienst van de Rede is een bedenksel van het verstand, en door zijn koele allegorieën en abstracties zonder vat gebleken op het volksgemoed. Maar in een land, waar de organische, historische groei van het geestesleven ruw verstoord was door onverdraagzame ketterjagerij, getuige de dragonnades e. d. bij de opheffing van het Edict van Nantes, vonden zij, die aan het Roomsch-Katholicisme ontgroeid waren, die onsectarisch, ondogmatisch dachten, geen aanknoopingspunt in het religieuse leven

van hun volk. Want het protestantisme is de voor ontwikkeling, verfijning, vergeestelijking vatbaar gebleken zijde van het christendom: de Roomsche Kerk wijst alle verandering af. Maar in Duitschland beteekent het godsdienstig denken van Kant, Hegel en Schleiermacher een,,reformatie", die als de geestelijke kroon van de Fransche revolutie is te beschouwen.

[ocr errors]

Als ze wijzen op een rationalistisch tekort der revolutie-beginselen, dan hebben de anti-revolutionnairen gelijk; als ze 't ware zoeken in repristinatie, in opdringen van ,,historisch" recht,,,historisch" geloof, d. w. z. van verouderd recht en verouderd geloof, dan is hun remedie erger dan de kwaal. Als de staatkundige, maatschappelijke, cultureele beginselen, die de Fransche revolutie aan Europa bracht, te abstract, te dogmatisch-rationalistisch waren, dan moeten ze in concreten zin ontwikkeld worden, hun eenzijdigheden moeten door aanpassing aan het werkelijke leven organisch verrijkt worden.

Ondanks de juistheid dezer anti-revolutionnaire kritiek moeten we haar beroep op de historie afwijzen; deze heiligt niet het gewordene als het blijvende, maar als het vergankelijke. En de conservatieve angst voor verandering is onzuiver en getuigt van klein geloof.

Deze en de vorige eeuw hebben de vrijheid op menig gebied zien doorvoeren, vaak na harden strijd en hardnekkige propaganda: de afschaffing der slavernij, vrijheid van drukpers en vergadering, vrijhandel, vrouwenemancipatie (vrije beroepskeuze, en gelijk recht op ambten en bezoldiging, beschikking over persoon en eigendom, recht op eigen kinderen voor de gehuwde vrouw).

Ten deele, soms zéér ten deele, is een en ander bereikt. Gewaakt moet er worden, dat het bereikte weer niet teloor gaat.

Behalve dit verder verwerkelijken van 't geen onmiddellijk uit 't programma van de rechten van den mensch voortvloeit, komt er heftig verzet tegen den liberalen staat om de eenzijdige opvatting der vrijheid van socialistische zijde; hunne inzichten en beginselen zijn in eenige historisch geworden manifesten neergelegd. De vrijheidsgedachte wordt daar concreter opgevat en deze partijen strijden, soms met succes, voor hervormingen in dezen geest.

Al moge de staat de gelijkheid van de burgers voor de wet erkennen, om de economische gelijkheid heeft hij zich niet bekommerd: de economische vrijheid, die het liberale stelsel liet, was die van het onbelemmerd werken der maatschappelijke krachten: het beruchte laisser faire, laisser aller. Het onrecht dezer vrijheid was de vogelvrijheid van den arbeider, was de uitbuiting. De ongeloofelijkste toe

« PrécédentContinuer »