Images de page
PDF
ePub

UTRECHTSCHE RARIORA BUITEN UTRECHT

DOOR

DR. A. HULSHOF.

Voor de verbouwing der Utrechtsche Universiteitsbibliotheek, die tusschen de jaren 1905 en 1909 plaats vond, werd het publiek tot de magazijnen toegelaten, om zelf de boeken uit de kasten te nemen. Degenen van de tegenwoordige bezoekers, welke dien idealen toestand nog gekend hebben, zullen zich ongetwijfeld ook herinneren, dat zich op de gaanderij aan het einde van de zoogenaamde „Oude Zaal” een afgesloten vertrek bevond, met een vuurroode ster op de deur, de z.g. ,,sterrekamer", waarin de Rariora der bibliotheek werden bewaard. Na de verbouwing zijn ze overgebracht naar de kamer van den bibliothecaris, waar ze in afgesloten kasten zorgvuldig zijn opgesteld, en waar ook de meest waardevolle handschriften worden bewaard. Het is geen collectie, die in het tijdperk van het ontstaan der groote particuliere verzamelingen (1750-1850) door een boekenliefhebber van heinde en ver is bijeen gebracht en naderhand aan de Universiteitsbibliotheek geschonken, want zij bestaat bijna uitsluitend uit boekwerken, die al sinds eeuwen haar eigendom zijn geweest. Een der vroegere bibliothecarissen heeft in den tijd, waarin het publiek nog vrijen toegang tot de magazijnen had, ze om hun kostbaarheid of zeldzaamheid uitgezocht en in een afgesloten vertrek geplaatst om ze tegen ontvreemding te beveiligen. Zij vormen het merkwaardigste en kostbaarste van wat de bibliotheken der Utrechtsche kerken en kloosters en de boekerijen van Van Buchell en van Van de Poll, die samen de kern der Utrechtsche Universiteitsbibliotheek uitmaken, hebben bezeten. Deze keurcollectie heeft dus in hoofdzaak een Utrechtsch karakter.

Had de Utrechtsche Universiteitsbibliotheek, zooals verschillende groote buitenlandsche bibliotheken, een ,,kring van vrienden" gehad, die haar bij belangrijke aankoopen geldelijk steunden, of, zooals de groote Amerikaansche bibliotheken een Maecenas, die nu en dan een deel van zijn rijkdom over haar uitschudde, dan had zij haar verzameling,,Rariora" in verloop van tijd ongetwijfeld aanzienlijk kunnen uitbreiden. Nu zij niet zoo gelukkig is geweest en haar

eigen middelen nauwelijks toereikend zijn om in de meest dringende behoeften van het Hooger Onderwijs te kunnen voorzien, moet de Bibliothecaris er heel dikwijls van afzien om Utrechtsche Rariora, die aan de markt komen, aan te koopen en zich er mede vergenoegen om die, welke elders in openbare bibliotheken berusten, ter plaatse in oogenschouw te gaan nemen, wanneer de gelegenheid zich daartoe voordoet.

Misschien kan het echter voor bezoekers en gebruikers der Utrechtsche Universiteitsbibliotheek van nut zijn te vernemen, welke kostbare handschriften en boekwerken, die in haar kader zouden passen, ik bij mijn lectuur en studie heb opgeteekend.

Het oudste handschrift, waarvan wij met zekerheid weten, dat het voor Utrecht bestemd is geweest, en met groote waarschijnlijkheid mogen aannemen, dat het ook te Utrecht is geschreven, is het door Moll in zijn Kerkgeschiedenis I, p. 395, noot 1 vermelde „Handschrift van den tijd van Karel den Groote, het Sacramentarium van Gregorius I bevattende, dat vroeger aan de kapittelkerk van S. Marie te Utrecht zal behoord hebben." Hij heeft het tevergeefs gezocht. Zijn vraag ,,Waar mag die Codex gebleven zijn?" liet mij niet los, totdat ik het terugvond in de Kon. Bibliotheek te Berlijn. Met behulp van een subsidie van het Oud-Studentenfonds heb ik het hs. in zijn geheel laten fotografeeren. De fotografische reproductie berust in de Utrechtsche Universiteitsbibliotheek onder Hs. 8*. E. 28. Een afbeelding van den ivoren band, waarvan het voorplat Christus, het achterplat den H. Gregorius voorstelt, is te vinden in mijn opstel over middeleeuwsche bibliotheken in Nederland, dat is opgenomen in het Overzicht van het Ned. bibliotheekwezen, hetwelk in 1914 met het oog op de Leipziger tentoonstelling is uitgegeven.

Het Sacramentarium, dat door Gregorius den Groote is samengesteld, en gewoonlijk den titel draagt:,,Liber sacramentorum de circulo anni" bevat de gebeden, die onder het celebreeren van de mis door den bisschop of den priester worden opgezegd. Het werd in de 12e eeuw door het Missale verdrongen.

Het hoofdbestanddeel van het handschrift is door een en dezelfde hand geschreven, terwijl een ietwat jongere hand op ingelegde bladen stukken toegevoegd en aan den rand verschillende aanteekeningen heeft gemaakt. Zoo zijn fol. 2b in de canon van de mis achter de rij van heiligen, die eindigt met de woorden,,Cosme et Damiani et omnium sanctorum" de volgende namen bijgeschreven: sanctorumque confessorum Martini, Willibrordi, Leudgeri, Lebuini, Werenfridi, Odulfi, Radbodi, die er op wijzen, dat het handschrift te Utrecht is gebruikt.

Wij vinden echter ook midden in het handschrift op plaatsen, waar de tekst oogenschijnlijk doorloopt, inlasschingen, die er met het oog op Utrecht in zijn aangebracht. Zoo blijkt uit de woorden,,necnon et sancto Martino confessore tuo atque pontifice cum omnibus sanctis" op fol. 5b en 6a, die met de eerste hand zijn geschreven, dat het inderdaad voor Utrecht is vervaardigd. Dit is het eerst opgemerkt door pater Séjourné, die het handschrift heeft bestudeerd met het oog op zijne uitgave van den Ordinarius van den Dom en die over de hierboven aangehaalde woorden het volgende zegt:,,Mais j'ai le plaisir de vous dire qu'il a bien été rédigé pour Utrecht, plus précisement pour St. Martin, car il renferme le nom St. Martin dans l'Ordinaire de la messe (quotidienne), en première main, ce qu'on ne trouve pas à la messe Gregorienne. Mon collaborateur de Berlin ne m'avait pas signalé ce détail caractéristique ni le catalogue. De plus, je trouve deux bénédictions espiscopales de rechange pour St. Martin, intercollées dans la série carolingienne très connue d'Alcuin."

Hij stelt het hs. in het einde der 10e eeuw. Naar mijne meening wijst het schrift op het begin der volgende. Ook Rose, die het hs. in den Berlijnschen handschriftencatalogus onder N. 691 uitvoerig heeft beschreven, plaatst het in de 11e eeuw.

Uit de kapittelkerk van S. Marie bezit de Universiteitsbibliotheek 35 handschriften, bijna alle uit de 14e of 15e eeuw. Het is jammer, dat juist de twee oudste handschriften uit S. Marie elders beland zijn. Een Evangeliarium uit de 11e eeuw is thans het eigendom van het Bisschoppelijk Museum te Haarlem; beschreven door Kruitwagen in zijn Catalogus der hss. en boeken van het Bisschoppelijk Museum te Haarlem, 1913, pag. 6-8. Onder de heiligen, op wier feestdagen pericopen uit de Evangeliën werden gelezen, komen voor Florianus en Marianus, die echter in het bisdom Utrecht niet werden vereerd. Daar ook de namen Willebrordus en Bonifacius ontbreken, vermoedt Kruitwagen, dat dit Evangeliarium oorspronkelijk niet voor het bisdom bestemd is geweest, maar uit den vreemde op de een of andere wijze aan de kerk van S. Marie gekomen, waar het gebruikt is als het Evangelieboek, waarop de eeden moesten worden afgelegd. Dit blijkt uit de eedsformulieren voor de functionarissen der Mariakerk op fol. 3-21 en uit de aanteekening voorin op fol. 1: Liber Iuramentorum ecclesie beate Marie Trajectensis.

Van grooter waarde is het tweede handschrift, dat het Martyrologium var. Usuardus en de Regula Canonicorum van Amalarius episcopus Metensis benevens verschillende kleine tractaten behelst. Voor de Utrechtsche geschiedenis heeft dit hs. een bijzonder belang, omdat er Tijdschrift voor Geschiedenis.

25

een aantal Utrechtsche oorkonden vóór 1300 in zijn afgeschreven, waarvan enkele alleen uit deze afschriften bekend zijn, en omdat hierin de Annalen staan opgeteekend, die bekend zijn als de Annalen van St. Marie.

Op fol. 55a vinden wij bij VI Kalendis Januarii eene aanteekening over den tijd, waarin de codex werd geschreven:,,Anno dominice incarnationis 1130 obiit Otto, decanus tercius ecclesie et sacerdos, pro cuius memoria scriptus est et oblatus iste liber". Kort na 1130 dus. Een nog juistere bepaling geven de Annalen van St. Marie, die tot 1138 doorloopen. Reeds de dood van bisschop Andreas in 1139 is later bijgevoegd. In 1138 derhalve is het handschrift geschreven. Het maakte vroeger deel uit van de bibliotheek der Bollandisten, die het zeer hoogschatten blijkens hun aanteekening voorin op het eerste blad:,,Codex insignis, qui fuit Ecclesiae B. Mariae, quemque tanti fecit Rosweydus; ab ipso vocamus Rosweydinum". Zij hadden hem dus ontvangen van hun medebroeder Heribertus Rosweyde, geboren te Utrecht in 1569, den bekwamen mediaevist en voorlooper der Bollandisten, die zoo veel belangrijke handschriften uit Noord-Nederlandsche kerken en kloosters afkomstig in handen heeft gehad. In 1832 was de codex te koop bij den boekhandelaar B. de Bruyne te Mechelen, die hem verkocht heeft aan den bekenden verzamelaar van kostbare boeken en handschriften Baron van Westreenen van Tiellandt. Nu maakt hij deel uit van het Museum Meerman-Westreenen te 's Gravenhage, dat geen handschriften uitleent en volgens testamentaire bepaling van den stichter slechts toegankelijk is op den eersten en den derden Donderdag van iedere maand.

Verder vond ik in den catalogus van de handschriften der hertogelijke bibliotheek te Wolfenbüttel nog een derden codex uit St. Marie vermeld, geschreven omstreeks 1400 en bevattende: Ordo ad inungendum sive visitandum infirmum 1). Vooraan staat omtrent de herkomst het volgende aangeteekend:,,Usui sum presbyterio animarum collegiatae ecclesiae beatae Mariae virginis Traiectensis hebdomedariis, sacerdotibus et decano, qui suo tempore certisque casibus me ad manum habere et uti soliti erant. Cedat(?) proprietariis". In 1643 was hij in het bezit van Paulus Voet, wiens ex-libris voorin op het schutblad is geplakt.

Uit de oudste Utrechtsche kloosterbibliotheek, die van de Paulusabdij, bezit de Utrechtsche Universiteitsbibliotheek 30 handschriften. Nog 4 heb ik elders gevonden: 2 in de Koninklijke Bibliotheek te Brussel, waarvan het eerste, geschreven in de 11e eeuw, bevat Liber

1) Die Handschrfiten der Herzogl. Bibliothek zu Wolfenbüttel, 2e Abt., IV (1900), N. 2926.

miraculorum martyrum beatorum en De virtutibus sancti confessoris Martini, beide van Gregorius Turonensis; het tweede een bundel heiligenlevens uit de 15e eeuw 1). De twee andere, die thans in de Vaticaansche bibliotheek berusten, hebben vroeger deel uitgemaakt van de bibliotheek van koningin Christina van Zweden. Ik vermoed, dat haar bibliothecaris Isaac Vossius ze beide hier te lande voor haar heeft bemachtigd. Het oudste bevat:,,Historia Hierosolimitanae expeditionis" van Albericus, kanunnik te Aken, en is in 1158 geschreven blijkens de aanteekening op de laatste bladzijde:,,Liber sancti Pauli apostoli in Trajecto scriptus anno dominicae incarnationis millesimo centesimo L octavo indictione VII". Dan volgt de boekvloek:,,si quis ergo huic ecclesiae vi vel fraude abstulerit istum librum anathema sit maranatha". Beide aanteekeningen zijn met dezelfde hand geschreven als de codex zelf. Uit palaeografisch oogpunt is dit handschrift heel belangrijk. Wij ontwaren er de eerste kenteekenen van het opkomen van een nieuw schrifttype, dat met den naam van gotisch wordt aangeduid. In vergelijking met het tot dien tijd heerschende ronde en breede romaansche schrift zijn de letters hooger en smaller van bouw geworden, terwijl hier en daar de neiging te bespeuren valt ze spits te maken en de uiteinden van enkele letters met schuinoploopende streepjes te versieren. Gedateerde handschriften, waarvan we met zekerheid weten, dat ze te Utrecht geschreven zijn, hebben we uit de 12e eeuw er maar twee. Dit handschrift levert dus kostbaar materiaal voor schriftvergelijking met de vele verdachte en valsche stukken, die er in de 12e en 13e eeuw in het bisdom Utrecht heeten vervaardigd te zijn. Een afbeelding van een versierde beginletter en een kleine proeve van het schrift is te vinden bij Byvanck en Hoogewerff, Noord-Nederlandsche Miniaturen. Tekst, 's Gravenhage 1925, pl. 3, no. 7.

Het tweede handschrift der St. Paulsabdij, dat met de boekerij van koningin Christina van Zweden in de Vaticaansche bibliotheek is terecht gekomen, bevat Gesta Langobardorum van Paulus Diaconus en is in 1397 geschreven. Achterin staat wederom de boekvloek:,,Liber sancti Pauli in Trajecto. Si quis eum huic ecclesie abstulerit, anathema sit. Amen" ").

Tot 1350 schijnt in ons land het bezit der kloosterboekerijen zeer beperkt te zijn geweest. Na dien datum begint de groote productie

1) Van den Gheijn, Catalogue des Mss, V, N. 3226 en Catalogus codicum hagiographicorum Bibliothecae Regiae Bruxellensis, II, p. 193-197. 2) Brom, Archivalia in Italië, II, 's Gravenhage 1911, p. 269 n. 157; p. 271 n. 161.

« PrécédentContinuer »