Images de page
PDF
ePub

oorlog, geldwaarde, is het derde het minst, het eerste het meest belangrijke, terwijl de oorlogschade van voorbijgaande, zij het ook soms vaak terugkeerende!, beteekenis blijkt. Met hun drieën zijn zij wel in staat, ons even te imponeeren. Wij onderzochten verspreid en klein bezit: renten, pachten, huren. Het waren de vele spreekwoordelijke kleintjes, wier hoogste bestemming het heet, één groote te worden. Maar juist hun kleinheid belette, dat zij, teruggehouden en aangegrepen door het drieledig risico, die bestemming bereikten.

Wat ik hier heb meegedeeld, vraagt mijnerzijds nog wel correctie en aanvulling en daarom van des lezers zijde een welwillende beoordeeling. Uit de duizenden fiches, met ander doel voor oogen gemaakt, uit de dozijnen tabelen en overzichten heb ik verteld, wat mij wetenswaardig voorkwam. Eerst als ik het materiaal definitief voor uitgave heb geordend, eerst dan kan ik het zoo overzien, dat ik zonder vrees voor vergissingen kan spreken.

De globale juistheid behoeft echter niemand te betwijfelen, op grond van het feit, dat ik dit opstel niet heb willen belasten met honderden noten: cijfers, citaten, en weer: citaten en cijfers.

LITERATUUR-OVERZICHT.

I. ALGEMEENE WERKEN.

De Shakespeare-kwestie in een nieuwe fase? Abel Lefranc, Sous le Masque de William Shakespeare, William Stanley, Vle Comte de Derby. Paris, 2 tom. 355 + 303 p.

[ocr errors]

De Shakespeare-kwestie, onopgelost en onuitgevochten als zij is behalve voor de overtuigden dan is een nieuwe fase ingetreden. Niet Bacon, niet Rutland de schr. van dit hier besproken boek is anti-Baconiaan zoowel als anti-Rutlandiaan, maar Stanley, graaf van Derby, de zesde in de rij 1), zou volgens hem zich,,achter het masker van Shakespeare" verbergen. Aan den tegenwoordigen graaf Derby, Engelsch gezant in Parijs, toen dit boek verscheen, is het dan ook opgedragen in een ietwat snorkende dedicatie, waar zoowel Willem de Veroveraar als de Fransch-Engelsche wapenbroederschap uit den Wereldoorlog aan te pas komen. Abel Lefranc, bekend vooral om zijn Rabelais-editie en zijn uitgaaf van Calvijn's ,,Institutio", heeft zich in deze twee deelen er toe gezet die gissing nader te demonstreeren. Hij gaat daarbij uit van de volgende drie stellingen: 1) De dramatische en andere werken, die in de laatste jaren van de 16e eeuw gespeeld en gepubliceerd zijn onder den naam van den acteur William Shakespeare uit Stratford-on-Avon, kunnen op geenerlei wijze door die persoon zijn geschreven. 2) De werkelijke auteur van die werken was, naar alle waarschijnlijkheid, een lid van den Engelschen adel, die onbekend heeft willen blijven. 3) Een zeldzame samenloop van concordanties, inducties en positieve feiten geven ons het recht te denken, dat de theater-stukken en de andere poëtische schrifturen, toegeschreven aan William Shakespeare, metterdaad het werk zijn van William Stanley, den zesden graaf van Derby (1561-1642).

Ondanks den arbeid en de vaak niet geringe scherpzinnigheid aan het bewijs dier stellingen ook hier weer ten koste gelegd, geloof ik niet, dat het den schr. zal gelukt zijn velen van de juistheid zijner zienswijze te overtuigen. Dat ligt intusschen misschien niet zoozeer aan zijn tekortschieten als advocaat voor zijn zelf-gekozen zaak, als wel aan de Shakespeare-kwestie zelve of juister aan het stadium waarin zij sinds eenigen tijd gekomen is. Zij is door generaties van geleerden en hypergeleerden zoo ongelooflijk ingewikkeld gemaakt, dat alleen zij er zich nog aan durven en willen wagen, die er zich dermate voor interesseeren dat zij zich niet meer afvragen of de kwestie wel eigenlijk zoo bijster belangrijk is. Dit beperkt haar beoefenaars tot de klasse

1) De eerste Stanley, die den titel graaf van Derby droeg was Thomas, gunsteling van Henry VII. Zie hoofdstuk II: l'histoire de famille de Stanley, p. 91 v.v.

Tijdschrift voor Geschiedenis.

29

der stokpaardjesberijders, wat omgekeerd voor een terugbrengen van de kwestie tot haar ware proporties weer weinig bevorderlijk is.

En wat zijn die proporties tenslotte? Er is een tooneelspeler, van wiens leven wij niet heel veel weten, terwijl het weinige dat wij van hem weten niet erg sympathiek noch bijzonder verheven is. Op grond hiervan o.a. weigert men nu te gelooven, dat deze man de werken schreef, die op zijn naam staan en die, meer dan eenig ander werk misschien, tot de wereldliteratuur behooren en verdienen te behooren. Nu zoekt men naar wel sympathieke en wel verheven personen; de een vond Bacon, een tweede Rutland en Lefranc vindt nu Derby.

Mij komt het nog altijd voor en de lectuur van Lefranc heeft mij daarin eer gestijfd dat deze heele negatieve praemisse fout en het daarop gegronde betoog dus a priori veroordeeld is. Immers waarom kan dat niet? Waarom kan een onsympathiek mensch, die op de duiten is, processen voert en meer drinkt dan óns goed schijnt voor óns, geen begenadigd kunstenaar zijn en daarbij toch weer ordelijk genoeg om zich de eruditie eigen te maken, die ten allen tijde aan groot kunstenaarschap is verbonden geweest? Er zijn voorbeelden te over. De twee grootste Engelsche dichters naast Shakespeare, Milton en Shelley, om slechts dezen te noemen, zijn in hun onaantrekkelijkheid als mensch bewijs genoeg, dat men deze vraag gerust bevestigend mag, ja moet beantwoorden.

Het tweede bezwaar tegen Shakespeare's auteurschap is nog zonderlinger: zijn onwetendheid en die van de tooneelspelers zijner dagen. Waarlijk een prachtige argumentatie! Men schijnt niet te voelen, dat men door de kwestie zoo te stellen haar alreeds in een bepaalde richting beslist heeft. Het gaat er immers niet om of de doorsnee tooneelspeler dier dagen Shakespeariaansche drama's kon schrijven: dat kon hij niet, evenmin als nu, doch het gaat er om of Shakespeare, de dramaturg, ook tooneelspeler is geweest. En er is geen enkele reden om dat onmogelijk te noemen. Indien de natuur nooit grilliger afwijkingen vertoond had dan deze! Is het, in allen ernst, niet verwonderlijker dat iemand 35 jaar lang door deze kwestie verontrust blijft? (AvantPropos, X)?

[ocr errors]

Zijn stukken zouden derde bezwaar niet speelbaar zijn, zooals ze geschreven zijn: iets wat voor een vakman niet denkbaar is. En als het genie in den vakman nu eens den vakman de baas was geweest? Zooals toen Beethoven, toch ook een ,,vakman", zei: „was geht mir deine verdammte Geige an" en ,,onspeelbare" vioolmuziek schreef? Zoo is geen der argumenten tegen het vaderschap van Shakespeare, naar mijn meening, steekhoudend, wanneer men ze van een algemeen en voldoende ruim standpunt toetst, wat ons ontslaat van een beoordeeling der argumenten voor het auteurschap van een ander, of hij nu Bacon, Rutland of Derby heet, volgens den gezonden regel, dat men de traditie moet gelooven, zoolang er niets overwegends tegen haar pleit. En men mag, dunkt mij, de traditie stellig niet aantasten, als de basis van het nieuwe zoo zwak is als in dit geval: immers ook Lefranc blijft weer in gebreke deze eenvoudige vraag te beantwoorden: hoe is het mogelijk, dat het tot 1918 onbekend bleef, dat een zoo beroemd geslacht als de Derby's een zoo beroemden telg zoolang,,achter het masker van William Shakespeare" verborgen lieten, óók in een tijd toen het allang geen schande meer, maar nog slechts een eer voor hun naam kon zijn een Shakespeare tot de hunnen te mogen rekenen?

Er blijft een Shakespeare-kwestie over, zeer zeker, ook al stelt men zich op den bodem der traditie: maar zij is geen andere dan de alge

meene van het genie en de wijze waarop hij produceert. En deze kwestie, de eigenlijk en eenig belangrijke in dit verband, brengt men geen stap nader tot de oplossing door in plaats van de elf letters van Shakespeare's naam de vijf van Bacon of Derby te lezen.

J. Romein.

Geschiedenis der bouwkunst. F. Vermeulen, Handboek tot de geschiedenis der Nederlandsche Bouwkunst. M. Nijhoff, 's Gravenhage.

Wij ontvingen de derde aflevering van dit mooi geillustreerde en goed gedocumenteerde handboek. Hierin wordt de beschrijving der romaansche bouwstelsels voortgezet. Achtereenvolgens bespreekt schrijver: het grondplan; de verschillende dragers, zuilen en pijlers en hoe deze elkaar afwisselen; den plattegrond van het koor en de absidiolen; de torens en hun uitwendige versiering en de uitwendige versiering van het koor; dan wat schrijver den ruimtevorm noemt, hij verstaat hieronder den vorm, die aan de ruimte zelf gegeven is, maar bespreekt in werkelijkheid meer de deelen van het bouwwerk, die de ruimte omsluiten, in het bijzonder het probleem der afdekking; verder de kracht en haar architectonische beteekenis en tenslotte leidt hij een beschouwing over het ornament in. Daar de geschiedenis der bouwkunst zich voor schrijver afspeelt als de ontwikkeling van een organisme, wordt aan de aesthetische drijfkracht, waarop het idee dier ontwikkeling berust, een overmatig groote rol toegeschreven. Dit heeft tot gevolg, dat schrijver weinig aandacht schenkt aan andere factoren, die stellig van niet minder belang zijn geweest bij het veranderen der vormen. Zoo zouden we in dit hoofdstuk gaarne iets vernemen over het verband tusschen kerkdienst en kerkvorm, waardoor plaatselijke verschillen wellicht gemakkelijker te verklaren geweest zouden zijn, dan door het afwisselend binnenstroomen van Noordgermaansch verticalisme en Latijnsch horizontalisme. Wel slaagt schrijver erin met duidelijkheid de verschillende wegen aan te wijzen, waarlangs de uiteenloopende bouwvormen ons land bereiken, al gaat hier gekomen, door de opsomming van een groot aantal dikwijls ver uiteenliggende voorbeelden, die duidelijkheid ook weer te loor. Het beloofde historisch-topographische overzicht zal hier wellicht weer klaarheid in brengen.

Het is jammer, dat de taal van dit overigens zoo goed opgezette handboek niet beter verzorgd is. Niet alleen is de terminologie grootendeels slechts half uit het Duitsch vertaald, maar ook de begrippen zijn niet scherp genoeg onderscheiden. Een zin als deze moge daar een voorbeeld van zijn: „Aldus ontstaat in de omsluitende vlakken een rhythmisch lijnenspel, waarin aesthetisch gesproken de toenemende activiteit, het eigen leven der ruimte tot plastische uitdrukking komt." F. en M. Hudig.

[ocr errors]

Economische geschiedenis. Economisch Historisch Jaarboek XI, uitgegeven door de Vereeniging Het Nederlandsch Economisch Historisch Archief, 's-Gravenhage, Mart. Nijhoff, 1925.

Dit jaarboek bevat een kleinere bijdrage van Dr. van Dillen, waarin bijzonderheden worden gegeven aangaande het verblijf van John Law in ons land in 1712 en 1713. Van een vroeger verblijf in 1695 zijn geen sporen gevonden; Laws girorekening bij de Amsterdamsche bank is van geringe beteekenis; eenige nieuw gevonden notarieele contracten wijzen vooral op speculatie in effecten. Verder een uitvoerige bijdrage van Mej. B. W. van der Kloot Meyburg over de Hollandsche steenindustrie in de

17e eeuw betreffende een tweetal steenbakkerijen in Leiderdorp en in Rijswijk, waarbij zekere Lempereur betrokken was; men vindt hier aardige bijzonderheden over de organisatie van dit typisch Hollandsche bedrijf.

Van bijzondere beteekenis zijn een tweetal bijdragen. Mej. Dr. Leonie van Nierop heeft uitgegeven de lijst van de 100 hoogstaangeslagenen te Amsterdam, in 1813 op last der regeering opgesteld, waaruit de Raad van Amsterdam had moeten worden samengesteld. Heeft dit laatste niet plaats gehad, de nu gepubliceerde lijst, die door Mej. van Nierop van tallooze aanteekeningen is voorzien, is door deze laatste vooral van het grootste belang geworden voor de kennis van den toestand der bezittende klasse aan het einde van den Franschen tijd; zij is een zeer welkome aanvulling van het bekende werk van Elias. Het ware te wenschen, dat ook eens een dergelijk onderzoek werd ingesteld voor andere tijdperken der Amsterdamsche geschiedenis, b.v. voor de regenten en andere notabelen vóór de Alteratie; het historisch onderzoek van dit tijdperk zou hierdoor zeer worden gebaat.

De nu gepubliceerde gegevens doen zien, dat zeer groote inkomens niet voorkomen; de hoogste worden op fr. 60 000 aan inkomsten geschat. Typisch zijn de tallooze aankoopen van vaste goederen; blijkbaar zijn vele eigendommen in andere handen overgegaan; Elbert Verlee, zilversmid in de Hoogstraat, met een inkomen van Fr. 10.000, waarvan hij 27 % belasting betaalt, koopt van 1782-1811 56 maal vast goed, betaald met f 140.000. De daling der fondsen en het kwijnen van zooveel bedrijven heeft blijkbaar deze wijze van belegging zeer populair gemaakt. Een kleine aanvulling; bij P. J. van Naamen van Scherpenzeel had nog vermeld kunnen worden, dat hij van 1829-1848 Regeeringscommissaris der Amsterdamsche Stoomboot Maatschappij en vanaf dat jaar tot zijn dood Commissaris is geweest.

Zeer belangrijk zijn verder de Bijdragen tot de geschiedenis der Nederlandsche grootindustrie door Prof. Mr. N. J. Posthumus, een vervolg op de bijdrage in het eerste deel van het Jaarboek. De stukken hebben betrekking op de katoenindustrie en zijn afkomstig uit de jaren 1832 en 1833; zij zijn wel gebruikt door dr. Mansvelt, maar voor afzonderlijke uitgave was toch alle reden. Zoo krijgt men hier betere indrukken van het werk van Ainsworth; reeds vóór diens ontmoeting met de Clercq blijkt deze bij Hofkes en bij de Maere bezig te zijn geweest met het invoeren der snelspoel, zoodat de bekende,.ontdekking" van Ainsworth door de Clercq niet die beteekenis blijkt te hebben gehad als wel wordt aangenomen. De verdienste van de Clercq bestaat niet daarin, dat hij den Engelschman voor de Twentsche industrie heeft behouden, maar dat hij hem een veel ruimeren werkkring heeft bezorgd.

Ten slotte vindt men in dit deel een reproductie van de grafiek van de Amsterdamsche Wisselbank, welke op de Historische Tentoonstelling te Amsterdam in het vorige jaar zoo sterk de aandacht trok. Zij is, naar gegevens, door Dr. van Dillen bijeengebracht in zijn uitgave: Bronnen tot de geschiedenis der Wisselbanken, vervaardigd door het Bureau van Statistiek der stad Amsterdam.

Daar dr. van Dillen pas in een uitvoerig artikel over Valuta-moeilijkheden en giroverkeer tijdens de Republiek in de beide laatste jaargangen van dit tijdschrift ook de geschiedenis dezer bank heeft behandeld, behoeven we hierop niet in te gaan. Wel moeten we de reproductie der grafiek in de belangstelling onzer lezers aanbevelen; alle belangrijke gebeurtenissen onzer economische geschiedenis vinden hun afspiegeling in de lijnen, welke de giro-saldi en de metaaldekking weergeven; zoodat

« PrécédentContinuer »