Images de page
PDF
ePub

ook bij het onderwijs deze grafiek, welke het voordeel der grafische methode zoo scherp doet uitkomen, goede diensten kan bewijzen.

de B.

Levensbeschrijving van Nederlanders. Voortrekkers van den Nederlandschen Stam. Een bundel levensbeschrijvingen, bezorgd door het bestuur der groep „Nederland” van het Algemeen Nederlandsch Verbond. - Amsterdam, Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, 1925 (299 blzn.).

Dit is inderdaad goede, opbouwende, inspireerende lectuur. Wij vinden hier beschreven: De wereldreiziger Willem van Rubroek, de kloosterling in de bekende orde der Minderbroeders, wiens verslag van zijn reis door Azië onschatbare gegevens bevat voor onze geschiedenis, voor land- en volkenkunde, door prof. P. Hildebrand, O. M. C. -- Jacob van Artevelde, door prof. dr. 1. H. Gosses. Jan Huyghen van Linschoten, door dr. C. P. Burger. — Cornelis Vermuyden, door J. Korthals Altes. — Hugo de Groot, door prof. mr. E. J. J. van der Heyden. – Frederik Hendrik, door prof. dr. P. J. Blok. – Jan van Riebeek, door prof. dr. S. F. N. de Gie (geschreven in de Afrikaansche taal). – Anthony van Leeuwenhoek, door prof. dr. J. Boeke. – Wolff

en Deken, door mej. dr. H. C. M. Ghijsen. - Willem Bilderdijk, door dr. J. van der Valk +. Albrecht Rodenbach, door Jos. Vermeulen. Paul Krüger, door dr. H. J. Kiewiet de Jonge. – Jopie Fourie, door Gert Jordaan (geschreven in de Afrikaansche taal).

Men kan dus hier zien en smaken wat Holland, Vlaanderen en Zuid-Afrika hebben gedaan voor den Nederlandschen stam, gelijk dit in de levensbeschrijvingen, ons geboden door geleerden die erkende meesters op hun terrein zijn, tot uitdrukking wordt gebracht. De artikelen, die alle in frisschen stijl en vlotten vorm zijn gesteld, worden opgeluisterd door uitnemend geslaagde portretten. Zullen wij op één persoon bijzonder de aandacht vestigen, dan is het op Cornelis Vermuyden, voor velen zelfs wat zijn naam betreft, een onbekende, maar die toch als Zeeuwsch waterbouwkundige in Engeland zulke groote dingen tot stand heeft gebracht. Een oppervlakte van 125,000 hectaren moerasland, gelegen in de graafschappen Norfolk, Cambridge, Huntingdon, Lincoln, Nottingham en York heeft hij weten om te zetten in vruchtbaar land, dat is een gebied bijna achtmaal zoo groot als onze Haarlemmermeerpolder. Deze grootsche onderneming, in het midden der 17e eeuw tot stand gebracht, waarbij ook onze Vader Cats nog betrokken is geweest, heeft tot op den huidigen dag hare beteekenis. Nog altijd is hier een streek die „Holland” heet, nog altijd een kanaal van Snaith naar Goole, dat „Dutch River" wordt genoemd, en in het voorjaar wordt het oog nog altijd getroffen door een bloemenweelde van crocussen, narcissen en tulpen, die aan onze bloeiende velden bij Lisse en Hillegom denken doet. Trotseerden Van Linschoten en Van Riebeek de zeeën, hier treffen wij een rasechten Zeeuw, die ook buiten zijn vaderland, den strijd tegen het water aanbond. Het is een aangrijpend verhaal van volharding maar ook van miskenning, van durf waar de bewoners van eigen land moed en bekwaamheid misten, een relaas van tegenspoed en tegenwerking, maar ook van echt-hollandsche taaiheid.

Dit boekje behoorde in het Engelsch vertaald te worden en zou dan prachtig als propaganda-middel kunnen dienen om ons land en onzen stam in den vreemde nog beter te doen kennen en waardeeren. Voor de toegezegde volgende bundels geven wij in overweging om bij de beschrijving van iedere persoon nog een kort lijstje te voegen van de beste en meest bekende boeken, die voor verdere lectuur kunnen dienen, en voorts achter elken bundel een goed personen-, plaatsen- en zakenregister te geven. Van zulke boeken als dit er een is krijgen wij er nooit te veel. Wij zeggen met Albrecht Rodenbach, zij het dan ook in anderen zin: Ja, knapen, 't hoofd omhoog. Onze oude vane omhoog! Wij kunnen wijzen op mannen en vrouwen, die „de zielen hoog” hieven en daarom in staat waren groote dingen te doen, die voor het nageslacht ter bemoediging en aanvuring zijn. Men koope dit bundelke, gebonden voor maar één rijksdaalder of keurig ingenaaid voor drie kwartjes minder, en geve het aan de zonen en dochteren van den Nederlandschen stam in handen.

A. Eekhof.

De geschiedenis der Joden in Overijsel. De Joden in Overijsel van hunne vestiging tot 1814. Nagelaten dissertatie van Helena Poppers. Uitgeverij ,,de Branding", Utrecht-Amsterdam 1926.

Het stemt weemoedig te moeten schrijven over dit proefschrift, dat tintelend van leven, ons telkens doet vergeten, dat zij, die het schreef, niet meer in leven is. Wij zouden willen vragen, roemen en afbreken, maar telkens weer beseffen wij met een schok van ontroering, dat een antwoord nooit meer gegeven zal worden, dat lof en blaam hier leeg en ijdel zijn. Ons rest niets anders dan om in den geest van haar, die deze studie schreef, een beschouwing erover te houden, even eerlijk en objectief als dit ernstige en wetenschappelijke proefschrift is.

Het was Helena Poppers niet gegeven haar werk zelf geheel ten einde te brengen. Maar de voltooiing van haar arbeid was bij den heer S. Seeligmann in alleszins bevoegde handen. Deze uitnemende kenner der Joodsche bibliografie had reeds bij het tot stand komen dezer dissertatie mejuffrouw Poppers groote diensten bewezen. Zijn grondige kennis en zijn rijke bibliotheek had hij geheel ter harer beschikking gesteld, want hij koesterde groote verwachtingen van deze eerste poging om op wetenschappelijke wijze een stuk historie der Nederlandsche Jodenheid te reconstrueeren. Toen het handschrift onvoltooid achterbleef, heeft hij zonder aarzelen de moeilijke taak aanvaard om dit proefschrift persklaar te maken. Hij, die geheel in de bedoelingen van de schrijfster was ingewijd, kon in de inleiding al datgene mededeelen, wat nadere verklaring behoefde. Maar naast een verduidelijking van de bedoelingen van Helena Poppers is deze inleiding, misschien zonder dat de schrijver dit beoogde, iets meer geworden. Hier en daar, zoo b.v. in de enkele zinnen, die handelen over de moeilijkheden in de verhouding tusschen den Nederlandschen staat en het Joodsche kerkgenootschap in de 19de eeuw, geeft de heer Seeligmann een belichting der gebeurtenissen, die zoozeer de kern der zaken raakt, dat wij het slechts kunnen betreuren, dat het niet meer is dan een kort kijkje, dat hij ons gunt.

Het proefschrift zelf telt zeven hoofdstukken, elk van een afzonderlijken titel voorzien. Het zijn in volgorde: I. De Joden in het tegenwoordige Overijsel tot den tachtigjarigen oorlog. II. De beteekenis van de zeventiende eeuw voor de Joodsche bevolking in Overijsel. III. De Joden buiten Zwolle in de provincie Overijsel gedurende de achttiende eeuw. IV. De Zwolsche Joden tot 1795. V. De Joden hier te lande in den Franschen tijd (1795-1814). VI. De burgerlijke gelijkstelling der Joden in Overijsel, hunne organisatie onder het koningschap van Lodewijk Napoleon en gedurende de inlijving. Het zevende en laatste hoofdstuk is getiteld „Het maatschappelijk en godsdienstig leven der Joden in Overijsel 1795–1814". leder hoofdstuk is op zijn beurt in paragrafen verdeeld; ook hier geeft een titel een korte aanwijzing van de stof, die besproken wordt. De verdeeling wordt nog verder doorgevoerd, daar iedere paragraaf weer meerdere afdeelingen bevat, die allen ook een titel dragen. Naar overzichtelijkheid in het rangschikken van deze ongetwijfeld zeer lastig te ordenen stof, is dus wel gestreefd en over het algemeen valt er weinig aan te merken op de systematische opzet van het werk. Dat de groepeering der gegevens niettemin hier en daar wat verwarrend werkt, is dan ook meer te wijten aan de vele kleine feiten, waaruit deze studie is opgebouwd, dan aan gebrek aan methode. Dit bewijst b.v. de verhandeling over de onsociale elementen, die de schrijfster als laatste paragraaf aan het derde hoofdstuk heeft toegevoegd. Moge op het eerste gezicht een dergelijke uitvoerige beschrijving van allerlei gauwdieven en hun euveldaden uit het kader vallen, de toelichting door den heer Seeligmann daarbij gegeven, maakt het duidelijk welke belangrijke conclusies juist uit dergelijke feiten getrokken kunnen worden en hoezeer zij dus op de goede plaats zijn.

Men kan het bezwaar hebben, dat mejuffrouw Poppers niet al het beschikbare bronnenmateriaal bewerkt heeft; zoo raadpleegde ze nergens de zeer belangrijke notariëele acten. Maar er mag niet uit het oog verloren worden, dat hier een geheel onontgonnen terrein behandeld moest worden, dat ook het karakter van proefschrift een zekere beperking wenschelijk kan maken. Het wil ons voorkomen, dat de over het algemeen zeer voorzichtig gestelde gevolgtrekkingen van de schrijfster door het gebruiken van meerdere bronnen allicht scherper omlijnd, maar toch niet in den grond gewijzigd zouden worden.

Tot het beste gedeelte van dit proefschrift behoort zeker het verhaal van de emancipatie der Joden in Nederland en die der Overijselsche Joden in het bijzonder (hoofdstuk V en VI). Van de felle bewogenheid der eerste revolutiejaren is hier slechts de zwakke naklank te bespeuren. Maar al is het dan op rustiger wijze, ook in deze afgelegen gebieden brengen de nieuwe idealen beroering en gisting. Welk een gul meegaan met den nieuwen tijd toont niet Deventer, dat eeuwenlang de Joden als blijvende inwoners had geweerd en nu in 1795 zijn poorten openzet voor de vreemdelingen. Aan de andere kant welk een koppig vasthouden aan oude vooroordeelen b.v. op het terrein van het bekleeden van ambten, het toelaten tot inrichtingen van onderwijs en bovenal daar, waar men economisch mededinging der Joden vreesde. Waar deze angst meesprak hield men hen uit de gilden, alsof er geen emancipatie der Joden was geweest, poogde men op allerlei wijzen hun het marktbezoek te bemoeilijken en hen daardoor te treffen in een van hun grootste belangen. (Hoofdstuk VII § 2). Zelfs de zeer vriendelijke houding van koning Lodewijk tegenover de Joden, die hij inderdaad als volkomen gelijkgerechtigde onderdanen wilde beschouwen, vermocht niet altijd dien tegenstand te breken,

Naar aanleiding van het bezoek der week- en jaarmarkten geeft deze dissertatie belangrijke gegevens. Daaruit blijkt, dat de Joden meestal een vast aangewezen plaats hadden op het marktterrein; klachten over de plaatsing werden vaak gehoord en zeker is het een feit, dat den Christen kooplieden hier en daar de betere plaatsen werden toegewezen. Toch werden de Joden niet te stiefmoederlijk behandeld, daarvoor waren de economische diensten, welke zij presteerden, te belangrijk. Hoofdstuk IV § 2 en hoofdstuk VII § 2). Een gewichtige zaak was ook voor de Joodsche kooplieden de vraag op welken dag de wekelijksche marktdag gehouden zou worden. In de 18de en 19de eeuw geschiedde dit b.v. in Zwolle en Deventer op Zaterdag en daardoor waren de Joden automatisch uitgesloten. Na de afgekondigde emancipatie zich sterker voelend, verzocht de Joodsche gemeente in Zwolle reeds in 1798 verlegging van den marktdag; zij kregen echter nul op het rekwest; het zou te schadelijk zijn voor de Zwollenaren en de omliggende gemeenten, zoo heette het. Eerst koning Lodewijk bracht ook hier de gewenschte verandering; hij gelastte, dat in het vervolg de weekmarkten zoo gehouden zouden worden, dat ook de Joden er deel aan konden nemen. In Zwolle werden zij nu op den Vrijdag verlegd, en de schrijfster vermoedt, dat ook na den afstand van koning Lodewijk over het algemeen met deze bezwaren der Joden rekening is gehouden.

Uit alles wat ons in dit proefschrift is meegedeeld over het marktbezoek der Joden blijkt overtuigend het belang van dit volk voor deze kant van het economische leven. Zoo lezen wij op blz. 62: „Voor de Joden was dan ook de rol van verkoopers op de markten bij uitstek geschikt. Hunne internationale verbindingen stelden hen in staat uit eene grootere keuze dikwijls goedkooper te leveren. Bovendien kon de Joodsche koopman op de markten zijn eigen taktiek volgen. Hier golden geen gildewetten. Hij kon zijn waren, onverschillig van welken aard aanprijzen, concurreeren, de koopers lokken, middelen, die in gewone omstandigheden dikwijls de woede van den gezeten gildekoopman opwekten.” Maar niet alleen de Joden, ook de gemeenschap profiteerde van hun diensten op dit gebied. Hoe stroef zou in deze economisch nog altijd achterlijke gebieden de handel niet zijn gegaan zonder de bemiddeling van deze ijverige, voor geen moeite terugschrikkende tusschenpersonen, welke met een schamel winstje tevreden waren. De machtige en rijke Joodsche groothandelaren en bankiers van Holland, de invloedrijke „Hofjuden" der Duitsche hoven vond men in Overijsel niet. Het hoogste, wat door hen werd bereikt was een bescheiden welstand; de overgroote meerderheid echter bestond uit arme zwoegers.

Het valt te betreuren, dat in de mooie hoofdstukken, waarin de emancipatie behandeld wordt, zoo weinig is verteld van het reageeren der Overijselsche Joden op den nieuwen staat van zaken. Misschien ontbraken de gegevens, maar waar in Holland, met name in Amsterdam, de botsing in de Joodsche gemeente zelf tusschen de partij van het behoud en de aanhangers der nieuwe denkbeelden zoo fel is geweest, had deze kwestie ook voor de Oostelijker provinciën scherper naar voren moeten worden gebracht; wel is uit het weinige, dat ons wordt gegeven de conclusie te trekken, dat de meerderheid der Joden tegenover het nieuwe vrij onverschillig bleef; ook hier waren de gegoeden de eenigen, die nog wat belangstelling toonden.

De organisatie der Joden als kerkelijke gemeenschap wordt ook vrij uitvoerig behandeld. (Hoofdstuk V § 2, 3, 4 en hoofdstuk VI § 2 en 3). Wij zien hoe op dit terrein Napoleon de bevelen geeft. Hij, die de kerk als politiemacht waardeerde, heeft ook de organisatie van het Joodsche kergenootschap straf genoeg opgezet. Maar ten slotte bleek zoowel het centrale kerkelijke lichaam, het Opperconsistorie, als de onderafdeelingen tot machteloosheid gedoemd uit gebrek aan middelen, het groote euvel dezer periode. Veel geharrewar en venijnig gekibbel was een gevolg van dien berooiden toestand. Er worden ons aardige bijzonderheden gegeven omtrent het eigenmachtig optreden van Zwolle op financiëel gebied en de boosheid van Deventer en Kampen, die het geld moesten betalen. Zou hier de oude naijver der steden in deze schijnbaar zoo zuiver Joodsche aangelegenheid misschien toch een woordje meespreken?

Tot slot nog een enkele opmerking. Bepaald hinderlijk is in dit proefschrift het voortdurend gebruik van het woord antisemietisme ook ter typeering van toestanden, waar dit zeer moderne woord niet op zijn plaats is. Het is een kleine slordigheid, die te meer ontsiert, omdat de schrijfster bijna altijd het gebruiken van zulke goedkoope, nietszeggende termen vermeden heeft.

Er zouden nog enkele andere bezwaren geformuleerd kunnen worden; sommige gevolgtrekkingen lijken niet sterk te staan, tegen een enkele voorstelling zou men in verzet kunnen komen. Maar over het algemeen vermogen die zwakkere plekken geen afbreuk te doen aan het feit, dat hier in dit proefschrift ons een eerlijke en goede studie gegeven is, die de basis had kunnen zijn van veel, dat dieper bestudeerd en rijper doordacht van nog grooter waarde voor ons ware geworden. Maar ook nu reeds heeft Helena Poppers een verdienstelijk werk verricht. Zij is de baanbreekster geweest op een terrein van onze geschiedenis, dat tot dusver nog geheel braak lag en ook daarom zijn wij dankbaar, dat haar proefschrift voltooid voor ons ligt. Caroline Eitje.

De geschiedenis van Oost-Friesland. H. Reimers, Ostfriesland bis zum Aussterben seines Fürstenhauses. Bremen, Friesen-Verlag, 1925.

Dr. Reimers, die reeds zooveel voor de geschiedenis van Oost-Friesland heeft gedaan, heeft in dit boek die geschiedenis samengevat van de oudste tijden af aan den aanvang van onze jaartelling tot het uitsterven van het vorstenhuis der Cirksena's in 1744. Dat was een goede gedachte, die ook op uitnemende wijze tot uitvoering is gekomen. Met dergelijke boeken, die in niet te uitgebreiden vorm een historisch centrum in zijn ontwikkeling schetsen, kan men in breeden kring nut stichten. Dat kan het geval zijn, indien aan twee voorwaarden wordt voldaan. Het boek moet niet den vorm en het karakter hebben van een leerboek; de bewerker moet zijn een wetenschappelijk man, die zijn stof volkomen meester is en daardoor kan putten uit een overvloed van kennis en inzicht. Alleen dan kan een geschiedwerk ontstaan, dat waarde heeft voor nu en straks.

Aan de gestelde voorwaarden voldoet het boek van dr. Reimers ten volle. Zoo hebben wij hier dan een werk over een belangwekkend onderwerp, geschreven door kundige hand, gesteld in een vorm, die het voor alle belangstellenden leesbaar maakt. Het moge die belangstellenden in ruimen kring vinden, ook in ons land. Want de geschiedenis van OostFriesland raakte die van ons land, vooral die van de noordelijke gewesten, op meer dan één punt en in meer dan één tijd. En ook op zich zelf is die historische ontwikkeling zeer belangwekkend. In dit land waar al spoedig na de nog oudere Chauken Friezen wonen, heeft zich de Friesche geschiedenis gevormd als nergens elders. Evenals elders in Friesland vinden wij hier een landelijke democratie, die zoowel maatschappelijk als staatkundig en kerkelijk was. In die democratie kwam ook het begrip der stameenheid tot krachtige uiting: in Oost-Friesland, dat ongeveer het middelste was der Friesche zeelanden, is in de dertiende en veertiende eeuw het centrale orgaan gevestigd geweest, dat door alle Friezen als hoogste werd erkend, de vergadering en het gerecht van den Upstalsboom. Maar van die eenheid bleef ten slotte weinig over: het Friesche land, van oudsher door zeeboezems van elkaar gescheiden, viel uiteen; staatvormende kracht heeft de Friesche stam niet voldoende bezeten om zich een duurzame staatkundige organisatie te scheppen.

Daarbij kwam nog iets anders. Een groot deel der Friezen heeft zijn eigen taal verloren en een andere spraak aangenomen. Dat is het geval in de toch van ouds Friesche Ommelanden; dat geldt evenzeer van Oost-Friesland. Hier en daar heeft in den loop der vijftiende eeuw

« PrécédentContinuer »