Images de page
PDF
ePub

dacht, dat 400 jaar geleden de eerste Hollander voor het protestantsche geloof ter dood werd gebracht. Men heeft toen ook de leemte beseft, dat er geen hedendaagsche biografie van deze Jan de Bakker bestond en ds. Gunst uit Woerden trachtte na ijverige studie hierin te voorzien. Het resultaat van die studie is het hier aangekondigde boek. Of daarmee werkelijk het laatste woord is gesproken? Zeker, de biografie is uitvoerig en alle détails, die uit zijn leven bekend zijn, zijn hier nauwkeurig geboekstaafd, alles wat er over hem geschreven is, werd geraadpleegd, naarstig zijn de gemeente- en rijksarchieven, die iets over hem konden bevatten, nagezocht, en dat alles is in den breede beschreven en bijeengebracht. Maar voor een goed geschiedeniswerk is dat nog niet voldoende. Integendeel, het boek heeft iets van een kaleidoscoop met allerlei kleine schittereffectjes, maar een rammelend geheel, dat licht uiteenvalt. Er ontbreken vooral twee voorname zaken: geordendheid en verband met de tijd. Buitengewoon minitieus is de schrijver op sommige punten, b.v. als hij uitzoekt, waar het huis van Jan de Bakker te Woerden gestaan heeft, of welk poortje het was, waardoor hij is ontvoerd, (niet op de plaats, die daar te Woerden voor wordt aangewezen), maar wanneer hij vermeldt, dat Jan Janszen van Woerden (zooals hij steeds heet, de Bakker of Pistorius is een pas na zijn dood algemeen gebruikte naam) het priesterschap heeft afgelegd, dan wordt daar geen datum bij genoemd, niet gezegd, dat deze onbekend is, en ook niet gezocht naar gissingen daaromtrent. En zoo is het met andere feiten eveneens, ook al wordt er wel terloops een datum genoemd. Weinig geordend is 't boek ook in dit opzicht, dat telkens weer dezelfde feiten worden herhaald, te midden van uitvoerige uitweidingen over weinig ter zake doende onderwerpen. Zoo staat er b.v. een heele geschiedenis van de inquisitie van de oudste tijden af in. Waar het boek verder zo nauwkeurig mogelijk alle levensbizonderheden van Jan Jansz. tracht te beschrijven, wordt de lectuur wel eenigszins vermoeiend. Nauwkeurig is het zeker, jammer alleen, dat de bronnen toch niet uitgebreid genoeg zijn, om een veel vollediger beeld te schetsen dan wij tot nu toe van Pistorius kenden. Ds. Gunst heeft er niet zo heel veel aan kunnen toevoegen; wel heeft hij met veel groter zekerheid allerlei bizonderheden kunnen vaststellen, zoals ik reeds vermeldde omtrent zijn woonplaats, zijn naam, zijn rechters enz.. Een enkele maal trekt hij zijn conclusies wel eens op wat zwakke gronden. Zo wanneer hij aanneemt, dat Pistorius als ,,Gilde-priester te Woerden was geroepen" en daaruit dan weer verklaart, dat hij na afstand van het priesterschap als bakker zijn onderhoud heeft gezocht (blz. 107). Ook als hij als ,,zoo goed als zeker" aanneemt, dat hij de geestelijke vader" der eerste ketters te IJsselstein is geweest, terwijl nergens uit bewezen kan worden, dat hij ooit daar heeft vertoefd (blz. 121). Een enkele maal is hij ook wel onjuist (bevooroordeeld? Gaarne zou ds Gunst Pistorius zien als overtuigd,,Gereformeerd protestant", terwijl hij veel meer aanhanger van Hoen en Rode is geweest); op blz. 247 zegt hij,,Pistorius had dus geen bezwaar tegen het afleggen van een eed. Hij was vrij van Doopersche smetten", naar aanleiding van zijn eigen woorden: „Alzoo gij mij tot zweren dwingt, en er de macht toe hebt, zoo beloof ik u behoorlijk antwoord te geven." Welke Mennist had dit niet kunnen zeggen? Nemen wij echter enkele van dit soort uitlatingen weg, dan behoort dit laatste deel van het boek tot het belangwekkendste: de verhooren en dus de geloofsbelijdenis worden daar uitgebreid in weergegeven; wij leren er èn de inquisitie in haar vroegste werkzaamheden én de overtuiging van Jan de Bakker duidelik uit kennen. Wij

zien er hem, zoals hij ons ook in zijn leven blijkt te zijn: een krachtig, geloovig man, die al heel vroeg tot een vaste overtuiging kwam (hij was nauweliks 26 toen hij op de brandstapel stierf en reeds op zijn 20e verkondigde hij denkbeelden in strijd met de kerkleer!) en die van dit geloof overal openlik getuigenis aflegde: zodra hij priester is gewijd, is hij reeds als pastoor van Jacobswoude geheel reformatories gezind; hij komt dan te Woerden, wordt gevangen genomen, kan ontvluchten en keert toch weer in zijn geboortestad terug. Hij trouwt daar en legt er openlik het priesterambt neer, om als leek vrijelik verder te kunnen getuigen. En als hij voor de inquisiteur wordt gedaagd, spreekt hij met een overtuiging en een moed, die niet velen eigen zijn. Dit vooral toont ons het boek van Ds. Gunst. E. v. G.

De stichter van de Kerk in Nieuw-Nederland. Jonas Michaëlius, founder of the church in New Netherland. His life and work, together with the facsimile, transcription and English translation of an extensive unknown autograph latin letter, which he wrote from Manhattan island 13 September 1630, now published for the first time by Prof. Dr. A. Eekhof. A. W. Sijthoff's publishing company, Leyden 1926. 148 bl. fo. Met een groot aantal afbeeldingen.

De heer Eekhof, die zoo goed thuis is in de oudste geschiedenis van de Nederlandsche colonisatie in Noord-America in de 17e eeuw, heeft een belangrijk document gevonden, n.l. een brief van den eersten predikant in Nieuw-Amsterdam, vandaar gedateerd 13 September 1630, die op twee dicht beschreven folio bladzijden belangrijke bijzonderheden bevat over de oudste geschiedenis van die colonie. Daar dit stuk natuurlijk niet alleen in ons land, maar vooral in America in ruimen kring belangstelling zal wekken, heeft hij alles bijeengebracht wat het belang er van duidelijk kan maken voor de lezers, en er een aardig boek van gemaakt, dat door de zorg van Sijthoff's uitgeversmaatschappij zich al door zijn uiterlijk gunstig presenteert.

De nieuw gevonden brief zelf is in voortreffelijk facsimile gegeven, en bovendien in volledige transscriptie en in Engelsche vertaling. Toegevoegd zijn twee andere brieven van dezelfde hand, en twee brieven van den heer Joannes van Foreest aan Jonas Michaëlius, die vroeger reeds op zeer verschillende plaatsen en niet volkomen correct waren uitgegeven. Verder is bijeengebracht al wat over het leven en de studie van dien eersten predikant te vinden was; ook over zijn vader die een belangrijke rol in onzen vrijheidsoorlog heeft vervuld, en over zijn geboortedorp Grootebroek waar die vader Jan Michielsz. predikant was. En bovendien krijgen we ook eene aanvulling op wat de auteur vroeger reeds heeft bijeengebracht over den ziekentrooster Bastiaan Jansz. Krol, die als 't ware 't werk van de nieuw te stichten kerk had voorbereid. Alles is met fotografische afbeeldingen versierd. De lezer krijgt telkens weer een aardigen kijk op de menschen en de gebeurtenissen van de 16e en 17e eeuw, den strijd met Spanje, kleine gebeurtenissen in kerk en staat, de studie aan de Leidsche academie, en vooral den gang van zaken in het Staten-Collegie waar Jonas Michaëlius heeft gestudeerd.

Het fraaie boek zal zeker, vooral in America, zijne lezers vinden. C. P. Burger Jr.

Het oordeel van Franschen over Holland. R. Murris, La Hollande et les Hollandais au XVIIe et au XVIIIe siècles vus par les Français. Champion, Paris, 1925.

Onder de vele dissertaties, die tegenwoordig geschreven worden ter verkrijging van het doctoraat in één der moderne talen, zijn er verscheidene, die een onderwerp van historischen aard behandelen. Hoewel deze geschriften veelal een zeker gebrek aan historische kennis en scholing verraden, zijn zij toch ook voor de historische wetenschap niet zonder belang. Stellig moet althans aan ieder, die belang stelt in de cultuurgeschiedenis van ons land, aangeraden worden om kennis te nemen van het bovengenoemde werk van dr. Murris. Uit een groot aantal Fransche werken en reisbeschrijvingen heeft de schrijver mededeelingen en oordeelvellingen over Holland en de Hollanders in de 17e en de 18e eeuw genoteerd en deze onder verschillende hoofden gerangschikt.

Achtereenvolgens bespreekt dr. Murris land en volk, zeden, taal, literatuur, tooneel, beeldende kunsten, wetenschappen, godsdienst en staatsinrichting onzer Republiek, zooals deze zich in de oogen der Fransche reizigers vertoonden. Het spreekt van zelf, dat aan de dikwijls vluchtige indrukken dezer buitenlanders geen al te groote waarde gehecht moet worden, maar het blijkt toch wel, dat onder hen ook goede opmerkers geweest zijn, die met kennis van menschen en van zaken hebben geoordeeld. Voor menig historicus, die zich met een bepaald onderwerp bezighoudt, kan dus de raadpleging van het desbetreffende hoofdstuk van het boek van dr. Murris van nut zijn, terwijl de uitvoerige bibliographie, die de schrijver aan het slot geeft, tot verdere nasporingen in staat stelt.

Het is echter jammer, dat de schrijver geen apart hoofdstuk aan den economischen toestand der Republiek heeft gewijd. Dit belangrijke onderwerp wordt in een paar bladzijden van het hoofdstuk ,,Gouvernement" afgedaan. In dit opzicht is de geraadpleegde bibliographie ook allerminst volledig. Het werk van Pierre D. Huet,,Le commerce des Hollandois" wordt niet genoemd, terwijl de schrijver evenmin kennis genomen heeft van ,,Le négoce d'Amsterdam" van Lemoine de l'Espine of van de latere bewerking hiervan door Jean Pierre Ricard. Ook het ,,Traité général du commerce" van Samuel Ricard, dat eveneens heel wat over den handel van ons land bevat, is dr. Murris blijkbaar onbekend gebleven.

Ten aanzien van de Amsterdamsche Wisselbank worden alleen eenige onbelangrijke citaten gegeven, terwijl o. a. in de memorie van den gezant Bonrepaus een uitvoerige en deskundige beschrijving dezer beroemde instelling te vinden is. Intusschen is het den schrijver niet kwalijk te nemen dat hij het laatstgenoemde document niet geraadpleegd heeft, daar dit nog niet uitgegeven was 1). Doch anders staat het met de bovengenoemde, zeer bekende boeken. Het is mij niet duidelijk, waarom hij deze schrijvers, die allen ons land uit eigen aanschouwing kenden "), heeft verwaarloosd.

Evenwel erken ik gaarne, dat de schrijver op ander gebied een groote

1) Het gedeelte dezer memorie, dat op de Bank betrekking heeft, is in mijn uitgave „Bronnen tot de gesch. der Wisselbanken” opgenomen, doch deze is eerst na het boek van dr. Murris verschenen.

2) Dr. Murris heeft zijn studie beperkt tot schrijvers, die korteren of langeren tijd in ons land vertoefd hebben. Men mag er hem dus geen verwijt van maken, dat hij Savary's „Le parfait négociant" niet geraadpleegd heeft.

collectie interessante citaten bijeengebracht heeft en dat hij deze op oordeelkundige wijze heeft verwerkt, zoodat zijn boek niet alleen leerrijk doch ook leesbaar en onderhoudend genoemd mag worden.

J. G. v. D.

Een boek over de jeugd van Willem III. Uit de jeugdjaren van stadhouder Willem III door Fr. de Witt Huberts. 's Gravenhage, G. Naeff, 1925.

,,All history is comprised of great and small things," wordt in de voorrede gezegd, met de bijvoeging, dat het deze ,,small things" vooral zijn, die door den schijver te boek werden gesteld. Het is goed, dat de schrijver, om alle misverstaan te vermijden, dit vooropstelt, daar de lezer anders wellicht teleurgesteld zou worden. Men zoeke hier geen diepzinnige beschouwingen, geen onderzoek, in den trant van Marcks: Bismarcks Jugend, over de ontwikkeling van zijn karakter, over de vraag of deze eigenschap van vaderszijde, gene van moederszijde verkregen is; het zijn inderdaad niets dan kleine dingen die hier worden behandeld. Maar deze kleine dingen zijn bijeengebracht met noeste vlijt, uit de meest uiteenloopende, vaak zeer weinig bekende bronnen, en de schrijver geeft zijn vondsten zonder de minste pretensie, als materiaal, dat later wellicht den bouwmeester kan dienen, die het zoo gewenschte monument voor dezen grooten Oranje zal oprichten.

Maar het boek moge niet diep gaan, het is wel leesbaar, op vele plaatsen zelfs amusant; het kan een uitkomst wezen voor menigen docent, die de belangstelling van zijn leerlingen wil opwekken; afgezien van het andere nut, dat het in meer wetenschappelijken zin kan afwerpen, zal het daarom in schoolbibliotheken op zijn plaats zijn. Hoe scherp is b.v. de verwarring geteekend, die in het Oranje-huis heerscht na den dood van Willem II, hoe typisch het kleingeestige gekibbel bij den doop van het Prinsje; hoe aardig zijn al die bijzonderheden over de opvoeding van den jongen Prins. De groote lijnen krijgt men hier niet te zien, maar de kleine trekjes des te beter.

Van,,small things" gesproken; in een studie van mijn hand over Gerbier (Oud Holland 1903, 3e afl.) had de schrijver nog iets kunnen vinden over een tweetal boeken, die door dezen avonturier aan de Princessen van Oranje zijn aangeboden,,,dienende tot de goede opvoedinge van Sijn Doorl. Hoogh. naer het afleggen van sijn kindtsche kleeren". Beide boeken, waarvan één een handschrift, dat calligrafisch merkwaardig is, berusten in de Kon. Bibliotheek; in een ervan staat de handteekening van den jongen Prins. Beide zijn, zooals alles wat van Gerbier komt, in hooge mate oppervlakkig.

de B.

Geschiedenis der industrie. Z. W. Sneller, De ontwikkeling der Nederlandsche exportindustrie. Rede 12e dies Handelshoogeschool te Rotterdam.

In deze rectoraatsrede geeft prof. Sneller een interessant overzicht van de geschiedenis onzer industrie in de 18e en 19e eeuw. Terecht betoogt de schr., dat volstrekt niet de geheele industrie der Republiek in de 18e eeuw in decadentie verkeerde. Wel was dat inderdaad 't geval met de textielindustrie der Hollandsche steden, doch daarentegen ontwikkelden zich juist in deze periode de wolweverij van Tilburg en de bombazijnindustrie van Enschedé. Bombazijn, een mixtum van katoen en linnen, werd reeds sinds lang te Amersfoort vervaardigd; in het begin der 18e

eeuw verplaatst de bombazijnweverij, die te Amersfoort door het gildewezen in haar groei belemmerd werd, zich naar het vrije Twente.

In de zeesteden bloeide, tot het einde der 18e eeuw toe, de z.g. trafiek, d.w.z. die industrie, die de door den handel aangevoerde grondstoffen een geringe bewerking, een veredeling, doet ondergaan. De trafieken als de suikerraffinaderij, de branderij en de tabakskerverij zijn bedrijven van geringe loonintensiteit, zoodat de betrekkelijk hooge loonen voor haar, in tegenstelling tot de textielindustrie, weinig bezwaar opleveren. Van de 145 suikerraffinaderijen, die de Republiek in 't midden der 18e eeuw telde, waren er 90 te Amsterdam en 30 te Rotterdam gevestigd. Te Rotterdam daarentegen bloeide vooral de tabaksindustrie.

De opheffing van het gestremde transito, het toestaan van vrijen doorvoer langs den Rijn, heeft in de 19e eeuw den bodem onder het oude Hollandsche trafiekwezen weggegraven. In anderen vorm heeft echter de suikerindustrie zich kunnen herstellen, zoodat ook nu nog, naast katoenen weefsels, de suiker een van de voornaamste producten der Nederlandsche exportindustrie is. J. G. v. D.

Nieuwe boeken:

B. Raptschinsky, Peter de Groote in Holland in 1697-98. Een historische schets. Thieme. 170 b. prbn. ƒ 3.90.

F. Charles Roux, Le projet français de commerce avec l'Inde par Suez sous le régne de Louis XVI.

J. Vienot, Histoire de la réforme française, des origines à l'édit de Nantes. 480 p. Fischbacher. 50 fr.

K. S. v. Galéra, Voltaire und der Antimacchiavel Friedrichs des Groszen. Mitteldeu. Verlags a. g. 102 S. 6 M.

J. F. Jameson, The American Revolution Considered as a Social Movement. Oxf. P. 7 s.

V. NIEUWSTE GESCHIEDENIS.

Het leven van Jonas Daniël Meyer. Mr. N. de Beneditty, Leven en werken van Mr. Jonas Daniël Meyer. 1925. H. D. Tjeenk Willink en Zn., Haarlem.

J. D. Meyer (1780-1834) was een geleerde van buitenlandsche vermaardheid, een uitblinkend rechtsgeleerde, die der rechtswetenschap groote diensten heeft bewezen. Mr. de Beneditty wijdde hem een boek als een verdiende hulde van het nageslacht. Wij lezen daarin, dat Meyer, op 16-jarigen leeftijd advocaat geworden, de eerste Israëliet was, die tot het beroep van advocaat werd toegelaten. Vroeger was de balie voor de Israëlieten gesloten geweest. Hij vestigde zich in de hoofdstad en wijdde zich niet alleen aan de rechtspractijk, maar ook aan de studie van rechtsgeleerdheid, taalkunde en geschiedenis. Toen in 1808 het Koninkl. Instituut van Wetenschappen was opgericht, werd hij benoemd tot lid der tweede klasse, die zich met taal- en letterkunde bezig hield. Voorts werd hij directeur van de Koninklijke Courant, in welke hoedanigheid hij over wetenschappelijke onderwerpen schreef en over staatszaken, zijn pen in dienst stellende van 's lands belangen. Bij de oprichting van de rechtbank te Amsterdam werd hij rechter (1811). Hoezeer hij aanzien genoot blijkt uit deze feiten, dat hij in 1813 deel uitmaakte van

« PrécédentContinuer »