Images de page
PDF
ePub

breede studie van bronnen, litteratuur en mondelinge overleveringen. Een fraaie wapenafdruk siert al dadelijk het titelblad, met de steeds doorgevoerde heraldische fout, waarvan het ontstaan door den schrijver juister wordt verklaard dan indertijd door E. W. Moes, doch waarmede ze helaas nog niet is uitgeroeid.

Uitgeest, dat als Hutgeeste al ongeveer in 1100 voorkomt in een der blafferden van de Egmonder abdij, is wel oud „maar lang niet een der oudste dorpen van Kennemerland", zooals van Hoogstraten in zijn

” Geografisch Woordenboek van 1783 beweerde. Al vóór 1400 leed het aan vermindering van bevolking, die eerst in blijvende toename veranderde door drie factoren uit de 19de eeuw: bollencultuur, fabrieken en de spoorlijn.

Na de algemeene opmerkingen wordt de geschiedenis der vier hoofdbuurten beschreven en bij de oudste kerkbuurt geeft schr. de mogelijkheid toe, dat die buurt in ouderdom allicht de kerk zelf te boven gaat. Door ook van de voornaamste openbare gebouwen en huizen telkens oude en nieuwe geschiedenis uitvoerig aan te geven, weet hij voor zijn dorpsgenooten al dadelijk zijn werk aantrekkelijk te maken. Bijvoorbeeld; het jaarcijfer 1826° in een gevel brengt hem tot de geschiedenis van den bouwer, den zeer gezienen geneesheer-historicus Jan Warning. Zoo brengt het bedrijf aan „de Haven” voorheen en thans hem tot den trekschuitendienst, en hoe de Staten van Holland uitdrukkelijk moesten bepalen: „voor de passagiers zal ordentelijke ruimte blijven om te liggen en geen vee zal bij hen mogen worden ingeladen." Bij de beschrijving van het algemeene kerkhof geeft hij een boeiend stukje begrafenisgeschiedenis, met o.a. dit officieel bevel van den Utrechtschen koorbisschop uit 1568 „dat niemand zich zou veroorloven, daar (op het kerkhof) paarden, os, beesten te weiden, noch te kaatsen, te kolven, noch kleeren te drogen, hetzij wollen of linnen.”

En bijzondere verdienste van dit boek is het juist, dat de schrijver de lichtere plaatselijke stof weet te doorvlechten met de zwaardere maar uitstekende toepasselijke stukken uit de geschiedenis van het vaderland in het algemeen. Natuurlijk wordt uitvoerig de Katholieke kerk en hare verschillende kerkgebouwen beschreven, maar zeker even sympathiek en uitvoerig die der Hervormde gemeente en hun herders vastgelegd, o.a. de moeilijkheden geschetst van den eersten predikant, Simon Paulusz, die op het eind van zijn leven zich met een jaarwedde van f200 „moest tevreden houden". De hem welwillend afgestane Notulen van den Kerkeraad waren hem voor dergelijke bijzonderheden een rijke bron.

· Bijzonder nauwgezet worden de namen van alle notabelen vermeld, zelfs van de stationschefs, van alle kweekersfirmanten en de bewaarschooljuffrouwen; maar daardoor juist missen we des te meer alle statistische gegevens, zoodat we bijv. als we het boek dicht slaan, zelfs het aantal inwoners niet kennen. Voor het verloop der bevolking, voor den stand der bedrijven in vroeger tijden, van de molens uit dit „molenrijk Uitgeest", de geboortestreek van C. Cornelisz, den uitvinder van de houtzaagmolen in 1595, voor dergelijke gegevens hadden we graag eenige langdradige rapporten en verzoekschriften uit zien vallen.

Maar er blijft genoeg van veel waarde over om dit werk warm aan te bevelen om zichzelf, en als voorbeeld; want, vol van eenvoudige vertelde histories en toestanden van dorp en dorpelingen, is het een uitstekend boek voor een bevolking, die 's avonds veel tijd voor lezen heeft. En bij het huidige geklaag over het druk bezoeken der bioscopen wordt nooit eens de tegenhanger vermeld, namelijk hoe steeds meer ouderen uit alle standen zich in onze dagen zoo graag verdiepen in de geschiedenis van hun omgeving. Maar, dan hebben we voor onze steden en dorpen dringend behoefte aan werken als dit van den Uitgeester pastoor, die ook op historisch gebied zich een betrouwbaar leidsman toont.

J. F. M. Sterck.

Nieuwe boeken:

F. W. von Bissing, De oostersche grondslag der kunstgeschiedenis. (Het oude Egypte en Voor-Azië). Nijhoff. 70 bl. f 2.40.

P. C. Bloys van Treslong Prins. Genealogische en heraldische gedenkwaardigheden in en uit de kerken der provincie Overijsel. Oosthoek. 336 bl. f 7.50.

H. T. Colenbrander, Koloniale geschiedenis. 3 din. I Algemeene Kol. Gesch. 413 bl. II Nederland. De West de Oost tot 1816. 336 bl. III De Oost sinds 1816. 286 bl. Nijhoff. Ing. f21.—, geb. f 26.- Krtn.

H. T. Colenbrander, Eerherstel der staatkundige geschiedenis. Oratie. Leiden. Nijhoff. 27 bl. f 0.60.

P. van Heijnsbergen, Geschiedenis der rechtswetenschap in Nederland. Beknopt overzicht der geschiedenis onzer rechtswetenschap tot 1900. Afb. Meulenhoff. 232 bl. f 7.50.

J. H. Holwerda, Nederlands vroegste geschiedenis. Afb. 2e verm. druk. Van Looy. 312 bl. f 7.50.

R. Kranenburg, Het Nederlandsch Staatsrecht. II. Haarlem, Tj. Willink. 455 bl. f 13.

A. d'Aubigné, Supplément à l'histoire universelle. Champion. 20 fr. Dr. Cabanès et L. Nass, La Névrose révolutionnaire. 2 vol. Ed. refondue et augmentée. 362. 396 p. A. Michel. 20 fr.

A. Daisay, Histoire de l'ornement, avec 285 dessins. Hachette. 12 fr.

F. Funck-Brentano, Les Origines (l'Histoire de France racontée à tous) Hachette. 20 fr.

G. Hanotaux, Histoire de la Nation Française des origines préhistoriques à nos jours. T. VII. Histoire militaire et navale. 600 p. Plon Nourrit, 50 fr.

Histoire générale des peuples. Publiée sous la direction de Maxime Petit t. 1. 388 p. Larousse. 83 fr.

Ibn Khaldoun, Histoires des Berbères et des dynasties musulmanes de l'Afrique Septentrionale. T. 1. Trad. p. de Stane. Geuthner. 5 vol. Souscr. 250 fr.

A. Lantoine, Histoire de la franc-maçonnerie française. 516 p. Nourry. 25 fr.

N. Piquet, Le peuple marocain. Le bloc Berbère. 320 p. Larose. 12 fr.

Abhandlungen aus dem Gebiete der mittleren und neueren Geschichte und ihrer Hilfswissenschaften. Festgabe H. Finke. Münster, Aschendorf 517 S. 21 M.

S. Dubnow, Weltgeschichte des jüdischen Volkes. Von s. Uranfängen bis zur Gegenwart. 10 Bde. Bd. 2. Berlin Jüdischer Verlag. 604 S. 17 M.

S. Feist, Stammeskunde der Juden. Die jüdischen Stämme d. Erde in alter u. neuer Zeit. Hist.-anthrop. Skizzen. 89 Abb. Lpz. Hinrichs. 191 S. 9 M.

0. Francke, Der Ursprung der chinesischen Geschichtsschreibung. Berlin. Ak. d. Wiss. de Gruyter. 33 S. 1.50 M.

F. Helting, Die Tortur. Geschichte der Folter im Kriminalverfahren

aller Zeiten und Völker. Mit Abb. n. alten Meistern. Völlig neubearb. v. M. Bauer. Berlin Langenscheidt. 430 S. 18 M.

0. Köster, Zur Kritik des historischen Materialismus. Leipzig. E. Oldenburg. 64 S. 1.20 M. (Entschiedene Schulreform. H. 47).

1. Kracauer, Geschichte der Juden in Frankfort a. M. 1150—1824. Frankfurt. Kauffmann. I. 459 S. 10 M.

L. Riess, Englische Geschichte hauptsächlich in neuester Zeit. Berlin, Nauck u. Jüngling. 359 S. 9 M.

A. Seidel, Geschlecht und Sitte im Leben der Völker. Anthrop. philos. u. kulturhist. Studien. Abb. Berlin Linser. 306 S. 12 M.

L. Sternberg, Zur Logik der Geschichtswissenschaft. 2e erg. Aufl. Charlottenburg. Pan verlag 88 S. 2.60 M.

R. G. Caldwell, Short History of the American People. Vol. I (1492—1860). Putnam 12 s. 6.

E. Channing, A History of the United States. Vol. VI, Macmillan. 20 s.

V. G. Childe, The Dawn of European Civilization. The History of Civilization. Ed. by C. K. Ogden. 344 p. Paul 16 s.

D. G. E. Hall, A Brief Survey of English Constitutional History 270 p. Harrap. 5 s.

H. C. Hocket, Political and Social History of the United States 1492—1828, 1829—1925 by A. M. Schlesinger. Macmillan, each 12 s. 6.

L. M. Larson, History of England and the British Commonwealth. 921 p. Cape, 25 S.

C. A. Mace, Historial Years. 332 p. Stockwell. 12 s. 6.

J. Mavor, An Economic History of Russia. 2 vols. 2nd ed. rev. en enl. Dent. 36 s.

G. F. Wates, Progress and the Past. A. Glance down the Ages. 186 p. Allen en U. 5 S.

A. Yusuf Ali, The Making of India. A brief History of the different elements, geograhical, ethnical, material, etc. 334 p. Black, 10 s. 6.

OUDHEID.

[ocr errors]

Een nieuwe algemeene geschiedenis van de Oudheid. - The Cambridge Ancient History, edited by J. B. Bury, S. A. Cook, F. E. Adcock. Cambridge Univ. Press. Vol. I. Egypt and Babylonia to 1580 B. C. X + 704 p. 1923; Vol. II. The Egyptian and Hittite Empires to c. 1000 B. C., X + 751 p. 1924; Vol. III The Assyrian Empire, X + 821 p. 1925.

Nadat de Cambridge Modern History in XIV deelen, waarvan de beide laatste tabellen, index en altlas bevatten, was voltooid, en van de VIII deelen der Cambridge Medieval History de helft verschenen was, is dezelfde uitgever begonnen met ook een Ancient History te doen verschijnen, aanvankelijk berekend op VIII deelen, die echter blijkens een mededeeling in het juist verschenen derde deel reeds tot negen zijn uitgedijd. Een aankondiging van dit veel omvattend werk kan uiteraard weinig meer bedoelen dan een overzicht te geven van den inhoud en de wijze der bewerking.

De opzet is synchronistisch: ieder deel behandelt een periode, en van al de in aanmerking komende volken de geschiedenis en de beschaving tot zoover deze daarbinnen vallen. Zoo beschrijft het eerste deel in hoofdzaak de Egyptische geschiedenis tot de verovering door de Hyksos, de Babylonische tot de heerschappij der Kassieten, en de oudste periode der aegeische beschaving. Daaraan gaan vooraf twee inleidende hoofdstukken over den praehistorischen tijd (Primitive Man in geological Time, en Neolithic and Bronze Age Cultures) benevens een overzicht van Exploration and Excavation, van de Chronology (der Mesopot., Israel., Egypt., en oudste Gr. geschiedenis) en een algemeene beschouwing over The Semites. Afzonderlijk behandeld wordt de hoofdzakelijk staatkundige geschiedenis en wat genoemd wordt Life and Thought gedurende de betreffende periode; zoo althans ten aanzien van Egypte. Bij Babylonië wordt echter voor één tijd de geheele beschaving in samenhang beschreven: The golden Age of Hamurabi. Een behandeling der economische en sociale geschiedenis als zoodanig ontbreekt. De kunst van Egypte en Babylonie wordt tezamen en door één schrijver beschouwd. Het tweede deel brengt de geheele geschiedenis tot + 1000 v. C. Wij zien dus naast de Egyptenaren Babyloniërs en Aegeërs een groot aantal volken verschijnen: de Assyriërs, de Hittieten in KleinAzië, de Kefti, Philistijnen en andere volken in de Levant, de Israëlieten, de Myceneërs, de Achaeërs en de Doriërs; daarna worden nog de Grieksche nederzettingen in Klein-Azië en de vondsten in het Westelijk bekken van de Middellandsche Zee behandeld. Bij Egypte wordt ook hier naast de politieke geschiedenis een overzicht gegeven van Contemporary Life and Thought; een afzonderlijk hoofdstuk is gewijd aan Ikhnaton, the religious revolutionary. Opmerkelijk is het hoofdstuk over Syria and Palestina in the light of external Evidence, voornamelijk de documenten gevonden in El Amarna. Het deel wordt ingeleid door twee hoofdstukken over de ethnographie van Klein-Azië en Europa, en besloten met een algemeene beschouwing over The Religion and Mythology of the Greeks. — Het derde deel zou, naar den oorspronkelijken opzet, eindigen met de Perzische oorlogen; de stof is echter zoo omvangrijk gebleken dat de behandeling over twee deelen verdeeld moest worden; niettemin telt het derde toch ruim 100 bladzijden meer dan het eerste. De voornaamste behandelde volken in het Oosten zijn de Assyriërs, de Hittieten van Syrië, de Babyloniërs (van Nabopolassar tot Nabonid), de Egyptenaren en de Israëlieten; telkens eerst de staatkundige gebeurtenissen, daarna de beschaving, de laatste in hoofdstukken die tot opschrift dragen: The Age of Ashurbanipal, Hittite Civilization, The Influence of Babylonia, (Israël before) the Prophets; de kunst van het Oosten wordt weer in haar geheel beschouwd. Den overgang naar de Grieksche geschiedenis vormt het hoofdstuk over Lydië en lonië, waarna de Growth of the Dorian States, Early Athens, Northern and Central Greece, The Colonial Expansion of Greece worden behandeld en tenslotte The Growth of the Greek City-State. Alle deelen worden besloten met zeer uitvoerige bibliographiën van ieder hoofdstuk afzonderlijk, chronologische tabellen, koningslijsten, velerlei indices, terwijl een overdaad van kaarten en plattegronden den tekst verduidelijken. Een afzonderlijk deel met platen is voor 1925 aangekondigd, maar nog niet verschenen.

Dit groote werk, door bekwame leiders oordeelkundig opgezet, en door deskundige geleerden geschreven, biedt, naar mijn meening, het beste dat in dezen trant kan worden voortgebracht; en het zou zinloos zijn het met kleine aanmerkingen op onderdeelen te betuttelen. De onvoldaanheid waarmee de lezer het telkens, ondanks zijn eerbied, uit de hand legt, mag dan ook allerminst aan de verdienstelijke medewerkers worden geweten. De redakteuren wijzen er zelf op dat verschil van meening ten aanzien van allerlei vragen bij de samenwerking van zoo velen onvermijdelijk was en dat zij, terecht, niet getracht hebben dit te onderdrukken. Dit ongerief is echter slechts een bijkomstig gevolg van

Tijdschrift voor Geschiedenis.

6

een ernstig gebrek: men mist hier achter deze zorgvuldig geordende en met volkomen zaakkennis te boek gestelde opstellen de eenheid van geest en de leidende gedachten die alleen in staat zijn den samenhang te brengen die men van een goede geschiedschrijving mag verlangen. Wie begrijpen wil wat voor gemis ik op het oog heb, neme eens onmiddellijk na zich bezig gehouden te hebben met eenig deel van dit werk Eduard Meyer's Geschichte des Altertums ter hand!

Aan het volkomen te billijken streven om onze kennis van de Oudheid zoo volledig mogelijk in dit boek vast te leggen, schrijf ik toe een tweede gebrek dat ik meen te mogen aanwijzen: dat de samenstellers niet geheel de m.i. juiste verhoudingen hebben weten te bewaren. In vier deelen, qit is bijna de helft, zal de Oude Geschiedenis behandeld zijn tot 478 v. C., d.w.z. voornamelijk de geschiedenis der Oostersche volken; beantwoordt deze verdeeling aan de innerlijke en historische waarde die de lotgevallen en de beschaving van deze bezitten, vergeleken met die van Grieken en Romeinen? De zaak is, als ik wel zie, deze dat, in tegenstelling tot b.v. de Grieksche geschiedenis van de Ve en IVe eeuw, door de opgravingen bijna iederen dag de hoeveelheid gegevens voor de kennis der Oostersche, zich uitbreidt; en juist wat het laatst bekend is geworden wil men de lezers van dit boek niet onthouden. Maar zoodoende laat men zich beheerschen door zijn materiaal en den omvang daarvan; waar de oordeelende geest van den historicus alleen moest uitkiezen wat hij voor zijn beeld van het geheel noodig acht. H. B.

Hellenisme. - R. Laqueur, Hellenismus. Akademische Rede, Töpelmann, Giessen. 1925. B. A. van Groningen, Hellenisme op vreemden bodem. Privaat-docentsrede. Groningen 1925.

De belangwekkende rede van Laqueur wil een bijdrage zijn tot de vaststelling van het begrip ,,hellenisme" om met behulp daarvan den tijd aan te wijzen waarin het is ontstaan. Reeds Johann Gustav Droysen die den term gestempeld heeft kent hem in zijn werk verschillende beteekenis toe. Soms gebruikt hij ,,hellenistisch" in denzelfden zin als „hellenisch", en verstaat hij onder ,,Hellenismus" de Grieksche beschaving (zoo doen nog vaak de Franschen); elders denkt hij bij het woord aan het overbrengen van Grieksche beschavingselementen naar barbaarsch gebied, dat dan alleen als ontvangend geldt; later echter verstond hij onder „Hellenismus" de vermenging van Grieksche en Oostersche beschaving die vele vormen kon aannemen en aangenomen heeft. In deze beteekenis wordt de term zeer vaak gebruikt tot op den huidigen dag; maar allerminst uitsluitend; immers men spreekt van het Hellenistische Athene (in de Ille en lle eeuw v. C.), van den Hellenistischen dichter Menander, van de hellenistische beeldhouwkunst, in gevallen dus waar van Oostersche invloed geen sprake is; men bedoelt dan niet nieer dan een chronologische aanduiding: hellenistisch is de tijd na Alexander. Met dezen echter begint volstrekt niet een nieuw tijdperk in de Grieksche beschaving; wil men het Hellenisme van de klassiekGrieksche periode onderscheiden, dan moet men als voornaamste kenmerk van het eerste beschouwen: ,,die Ueberwindung des partikularen Staatsgedankens und seine Unterordnung unter den allgemeinen griechischen Kulturgedanken;" de tijdgrens tusschen de klassieke en de hellenistische periode zal dan blijken te liggen omstreeks 400 v. C., zooals voor de drie beslissende beschavingselementen kan worden aangetoond. Immers in dien tijd, vooreerst, gaat men inzien dat voor een succesvolle buitenlandsche politiek het particularisme der tallooze staatjes te kort schiet, en roept eerst Gorgias, daarna Isocrates de Grieken op tot een

« PrécédentContinuer »