Cours de langue flamande |
Autres éditions - Tout afficher
Expressions et termes fréquents
adjectifs possessifs Adjectifs qualificatifs altyd article article indéfini Avez-vous bemind boek buiten Changements euphoniques Conjugaison consonne daer datif dezen doen dorst droef eene euphoniques féminin flamand gaen gebuer geen gegeven gehad geleerd gelezen génitif gevonden geweest geworden gezegd gezien gisteren goede moeder goeden groot gy hebt gy zyt hadden hadt haer Hebt gy heeft heeft eenen heid homme hopen huis hunne hy heeft IMPARFAIT INFINITIF inkt j'ai kind klank kleine l'imparfait l'infinitif leeren leerling lezen maer hy masculin morgen myne mynen naer naerstig neutre niet nombre cardinaux omdat onder onze oude paerd parisonnants participe passé pluriel polder préposition pronom pronom relatif schoon slecht SUBJONCTIF subst substantifs terminaison toren twee vader veel vinden voyelle vriend vrouw waer Waerom waren weeze welke wiens wierden wordt Wy hebben wy zyn zeer zelve zich zoon zou zoude zuiver zullen zuster
Fréquemment cités
Page 121 - Dieu créa le ciel et la terre en six jours. Le premier jour il a créé la lumière et le cinquième jour les poissons qui ont immédiatement nagé dans les eaux.
Page 53 - NEUTRE. het goede kind, des goeden kinds, den goeden kinde, het goede kind.
Page 108 - Binden, blinken, dingen, dringen, drinken, dwingen, glimmen, klimmen, klinken, krimpen, spinnen, springen, stinken, verslinden, verzwinden, vinden, winden, winnen, wringen, zingen, zinken, zinnen...
